Spion voor NATO (deel 10)
De Griffier van het Militair College van het Opperste Gerechtshof de U.S.S.R.
w.g. AFANASJEW
Het was in de nacht. Ik hoorde voetstappen op de gang. Door mannen werd ik uit mijn cel gehaald. Buiten wachtte een Wolga. De ramen waren niet geblindeerd. Ik kon steeds naar buiten kijken. Ze waren zeker niet bang meer dat ik nog vluchten zou. We reden door de verlaten Moskouse straten en kwamen al spoedig op de buitenwegen. Het was een donkere nacht met weinig sterren., Sneeuw reikte zover je kon zien. De mannen spraken niet. Onze ademhaling condenseerde meteen tot kleine wolkjes. Ik zat op de achterste bank. Tussen twee gewapende officieren van de KGB. Voor zat een overste. We reden snel over de besneeuwde wegen. Geratel van sneeuwkettingen om de achterwielen. Het zachte gebrom van de motor. Verder stilte. Het landschap was vlak en eentonig. Wit. Zo was de poolnacht. Later hoorde ik wolven.
We reden ruim twee uur door. Zonder dat iemand een woord sprak. Ook de officieren onderling niet. Het was een macabere rit. Mijn afscheid van de wereld. De stadjes waar we soms door kwamen waren uitgestorven. Daarom vervoerden ze mij 's nachts. We reden Wladimir binnen. Na enkele minuten zag ik een groot gebouwencomplex. De gevangenis. De hoofdpoort zwaaide meteen open. We reden naar binnen. Achter de poort weer een complex van geasfalteerde straten en gebouwen. Het kampement Wladimir.
Er waren verschillende lage gebouwen met één verdieping. Hier bleken later de keukens en de schoenmakerij te zijn. Eén hoog gebouw had vier verdiepingen. Daar zaten de werkende gevangenen. Het gebouw waar ze mij heen brachten had drie verdiepingen. Beneden waren overwegend oude gevangenen. Daarna een verdieping politieke gevangenen. Dan een verdieping waar het hospitaal was. Een luguber concentratiekamp. De Wolga stopte. Vier bewakers schoten toe. Om mij over te nemen. Snel werd ik afgevoerd. Een getraliede lift voerde ons naar de keldergewelven. Beneden een lange gang met lage celdeuren. Dan het hokje. Ik moest mij spiernaakt uitkleden. Werd uitvoerig gevisiteerd. Daarna het hokje in gedouwd. De gezichten waren strak en uitdrukkingsloos gebleven.
Het was een cel van 1.60 M2 . De muren waren witgekalkt. Er brandde een lamp van 300 watt die nooit uit ging. je kon je in de cel niet strekken. Ik was steeds in gebogen toestand. Hier kreeg ik een dieet van water en 4 plakjes brood per dag. Het was zwart, klef brood. Als je het op de grond liet vallen stuiterde het.
Na drie dagen werd ik meegenomen naar een kamertje op de begane grond. Hier zat een kolonel van de KGB. Tjewsjenko. Het leek wel aardig. Toen we alleen waren zei hij meteen: 'Well Mr Reydon, suppose you now tell me what really happened'. Hij sprak goed Engels.
Ik moest tijd rekken. Direct antwoordde ik: 'Ik heb aan de verklaring die door uw bureau werd opgesteld niets toe te voegen. Het is niet volgens de afspraak dat ik nog verder verhoord zou worden. U begrijpt dat ik u verder geen medewerking kan geven.'
We wisten nu wat we aan elkaar hadden. Meteen begon Tjewsjenko met zijn programma: 'U begrijpt natuurlijk heel goed dat het nooit de bedoeling van ons directoraat is geweest u nu verder maar met rust te laten. Het is tenslotte bekend dat u een beroepsspion bent. We zullen u niet met rust laten voordat we alles weten. Uw straf zal niet door de bekentenis verzwaard worden. Als u alles bekend hebt kunnen we een begin maken met uw uitleveringsonderhandelingen. Hoe eerder u meewerkt, hoe eerder u in Nederland terug bent. De Sowjet Unie heeft er niets aan u hier te onderhouden. Maar we kunnen u net zo lang houden als we willen. U bent nu helemaal in onze macht. Uiteindelijk zult u toch bekennen. U maakt het alleen erg ongemakkelijk voor uzelf als u het te lang uitstelt.'
Maar ik hield uiteraard m'n bek. Hij ging nog even door. Zag toen dat het hopeloos was. Ik werd weer naar het hokje terug gebracht.
Na tien dagen in het hokje te hebben gezeten was ik weer half lijk. Mijn ogen brandden in mijn kop zodat ik ze er wel uit wilde krabben. Ik wist niet dat ik licht zo zou kunnen haten. Ik was misselijk en duizelig. Als ik mij bewoog moest ik braken. Er kwam dan een groen zurig slijm naar buiten. Het braken deed mij vreselijk pijn over mijn hele lichaam. De stank van mijn eigen uitwerpselen was ondraaglijk. Ik kon niet slapen. Als ik in slaap viel werd ik wakker gemaakt.
Plotseling werd de deur geopend. Een verwilderde figuur werd het hokje ingeduwd. Het was een wezen dat niets menselijks meer had. Hij zakte meteen naast mij op de grond. Keek mij argwanend aan. De man was ongeschoren. Zijn huid was vettig en geel. Gerimpeld en vochtig. Het leek of hij volkomen in elkaar gezakt was zoals hij daar zat. Voor zijn rechteroog had hij een zwarte lap. Na lange tijd wisselden wij enkele woorden. De man sprak Engels. Dat maakte mij meteen argwanend. Zou dit rotte hoopje een agent zijn? Die hier gepland was? Hij vertelde mij dat hij leraar was geweest. Op een lyceum in Moskou. Hij had vijfentwintig jaar gekregen, waarvan er nu acht opzaten. Was gepakt voor valsemunterij. Ik had met hem te doen, maar bleef toch op mijn hoede. Hij vroeg waarvoor ik hier zat. Het was een normale vraag. Ik had het hem ook gevraagd. Ik vertelde hem alles waarvan ik wist dat de KGB het ook wist. Over het schijnproces. Onze trip. 'Je hebt zeker nog niet alles bekend', was het eerste verdachte geluid. Het was mij wel duidelijk geworden dat de man geen beroepsagent was. Maar het kon een willoze gevangene zijn die bepaalde instructies had. Ik moest dus erg uitkijken. Hij zou letterlijk alles oververtellen. In de muren zouden wel microfoons zitten. Alles wat hier gesproken werd kwam meteen op tape. Als ik het slim speelde kon ik de rollen omdraaien. Precies loslaten wat ik wilde vertellen. Ik vertelde de man in wanhoop dat ik alles bekend had. En volkomen gewillig was alles te ondertekenen. Wat ze maar wilden. Dat het mij niets meer interesseerde. Als ik hier maar uitkwam. Hij reageerde niet. Alleen zei hij wel dat zij mij niet geloofden. Dat er natuurlijk nog een missend stukje was. Dat ze net zo lang door zouden gaan tot alles rond zat. En dat zou pas zijn als ook écht alles rond zat. Het waren hier ervaren jongens. je kon er niet onderuit komen. Ze zouden doorgaan. Al zou het dertien jaar moeten duren. Ik herkende het verhaal. Ik had het de laatste maanden al zo vaak gehoord. Het was geen agent. Ook geen meespelende gevangene. Alleen de man was helemaal kapot. En ze hoopten dat het ook op mij over zou gaan. Het was moeilijkje aan deze invloed te onttrekken. Vooral omdat ik de man nu als een bondgenoot zag. Daardoor verslapte mijn aandacht. Ik ging maar niet meer over verhoren praten. Maar over heel andere dingen. Ik vroeg hem waarom hij het lapje voor z'n oog had. Grinnikend tilde hij het op. Er zat een groot, diep, rood slijmerig gat. Alsof ik helemaal in z'n hersenen kon kijken. Het stonk verschrikkelijk. Grinnikend roerde hij er met z'n vinger in.
Het was een tafereel uit de hel. Hij vertelde mij dat hij naar Moskou was geweest om het oog er uit te laten halen. Ik probeerde niet te kotsen.
Hoe lang zou ik met deze knaap in dit kleine hokje moeten doorbrengen? Ik schatte hem op een jaar of vijfenveertig, Maar toen ik het hem vroeg vertelde hij mij dat hij vierentwintig was. Toen hoorde ik voetstappen op de gang, Gelukkig, ze kwamen mij halen. Ik werd liever verhoord dan met deze stinkende, half verrotte invalide in dit hokje te moeten zitten.
Het is rot als je je nergens ontspannen kunt. De hele tijd onder druk staat. je kan nooit even bij komen. En dat is juist zo belangrijk. Al is het maar even. Ik werd naar het hospitaal gebracht. Hier werd ik door twee artsen onderzocht. Heel grondig. Toen ik op de onderzoektafel lag kon ik even slapen, De artsen hadden mij een paar keer gewekt. Om mij vragen over mijn gezondheid te stellen. Er was bloed afgetapt. Maar toen het onderzoek klaar was hadden ze mij laten liggen. Toen was ik meteen in slaap gevallen. Ik weet niet precies hoe lang. je leert onder alle omstandigheden te slapen. Als je maar even de kans krijgt. Daarna werd ik weer naar he kantoor van Tjewsjenko gebracht. We begonnen weer van voor af aan.
Vannacht is de cycloop gestorven. Was het nacht? Wij leven steeds in dat schelle licht. Zonder overgangen. Maar in mijn ziel is het donker. Dus vannacht. Eerst heeft hij de hele tijd geijld. Soms ging hij gillen. Dan sliep hij weer even. Begon daarna opnieuw. Hij stond op, sloeg om zich heen, probeerde zijn lichaam te strekken in de kleine ruimte. Zijn rug kraakte als hi zich met alle kracht tegen de muur spande. Later was hij uitgeput geraakt. Ineengezakt. Gelukkig, ik moest zijn slagen steeds ontwijken. Dan mummelde hij alleen nog maar in een onverstaanbaar dialect. Eerst had hij in het Russisch gebruld.
In zijn waan. Mijn oren barstten, maar niemand hoorde ons.
Nu is hij dood. Plotseling is hij stil geworden. Was snorkend gaan ademen. Er was slijm geweest dat uit zijn mond borrelde. Een groen slijm dat verschrikkelijk stonk. Toen ging er een siddering door z'n lichaam. Hij had even gekeken met zijn ene goeie oog. Dat was ineens erg helder geworden. Geglimlacht had hij. Alsof hij in de verte een licht zag. Een gemoed dat vol schiet met een groot geluk. Het duurde maar even. Toen had hij een naam gepreveld. Daarna was alles slap geworden. Hij zakte onderuit.
Nu is hij dood. De ruimte was al te klein voor ons maar eerst zat hij nog. Nu valt hij steeds tegen mij aan. Eerst heb ik geroepen, op de deur geslagen. Ik dacht dat ik gek werd. Maar er kwam geen antwoord. Toen ben ik weer gaan zitten. In onze eigen uitwerpselen. Zijn hoofd zakte steeds tegen mijn schouder. Uit zijn mond was een golf donker bloed gevloeid. Onder het zwarte lapje voor zijn ene oog sijpelde plasma. Het rotte al toen hij nog leefde, nu verbeeld ik mij dat ik het hoor gisten. Zou ik ook zo zijn als ik dood ben? Wel jammer.
Ik heb nu twee weken met hem in dit hokje gezeten. Als hij niet vanzelf gestorven was had ik hem uiteindelijk vermoord. Na een dag werd hij pas weggehaald.
Er was een nieuwe lucht bij gekomen. Zoetig. Prikkelend. Lijkenlucht.
Ik lig nu weer alleen in mijn cel. Witte muren om mij heen. Geen geluiden dringen door. Na dagen gaan mijn hersenen zelf zorgen voor afleiding. Ik krijg visioenen. Ze worden steeds echter. Close shaves met duiken. Vliegen. Parachutespringen. Maar ook duidelijke beelden uit m'n vroegste jeugd. Badscènes met de Gräffin. Onze bossen in Duitsland. Later worden de beelden tastbaar. Alsof ze bij mij in de cel zijn. De dode man zit ineens naast mij.
Toch beweegt z'n borstkas. Maar hij heeft die groen-gele lijkenkleur. Monstertjes kruipen rond. Kleine rode gedrochtjes. Liploze monden. Platte hoofden en worst-vingertjes. Verwrongen voetjes. Mijn rug is nat van het zweet. Angst.
Honger. Eindeloze fantasieën over recepten. Ik wil een kookboek schrijven. Mijn armen en benen zijn opgezwollen. Net varkenspootjes. Overal zitten weke kussentjes op. Als ik er in druk blijven er putten.
Soms ben ik even helder. Dan begrijp ik dat ik murw word. Uiteindelijk zal ik het niet houden. Alles vertellen. Maar ik moet het nog even rekken. Dat ze daar maatregelen kunnen nemen. Ik moet dichtgeklapt blijven. Als ik begin met een paar woorden te spreken ben ik verloren.
Twee maanden ben ik nu achter elkaar verhoord. Steeds dezelfde vragen. Onafgebroken. Alleen wisselen de ondervragers steeds. Nicholajew, de onderdirecteur, is de rotste. Hij slaat en trapt me.
Tjewsjenko is eigenlijk wel aardig. Ik begin hem te mogen. Hij heeft natuurlijk gelijk. I 3 jaar houd ik het hier toch niet uit. Niemand interesseert zich meer voor mij. Ze zijn ons vergeten. Waarom zouden wij niet voor onszelf zorgen. Ik kan nog een hoop doen met mijn leven. Ti ewsj enko zei dat ik wel een belangrij ke j ob bij de Shell kan krijgen. Als ik terug ben in Nederland. Met mijn relaties. Maar dan moet ik hier eerst uitkomen. En meewerken.
Toen ik goedemorgen zei vanochtend kreeg ik al koffie.
Hij is gauw tevreden.
Ik merk dat ik voedsel kan krijgen. Door alleen maar een paar woorden te spreken. Het geeft niet wat. Als ik mijn doodse stilzwijgen maar verbreek. Maar dat is juist mijn enige kracht.
Vandaag heb ik goed gegeten. Met een sigaret. We hebben gesproken, over gewone dingen. Het was erg prettig. Het speet Tjewsjenko geloof ik dat hij mij weer naar het hokje moest brengen. Maar hij moet uiteindelijk ook z'n werk doen. Toch weet ik dat hij een spel speelt. Maar ik vind het niet zo belangrijk meer.
Op een keer werd ik om drie uur 's nachts gehaald. Dat was niets bijzonders. De verhoren gingen dag en nacht door. Dat je vooral niet slapen kon. Maar deze keer was anders. Ik werd door Tjewsjenko verhoord. Die verhoorde 's nachts nooit.
Ik wist dat er iets bijzonders was, Tjewsjenko had een bundel papieren voor zich. Daar zat hij in te bladeren. Na een tijdje begon hij te praten. Las op wat hij voor zich had. Het was mijn hele levensgeschiedenis. Hoe kwamen ze daar aan? Alles stond erin. Mijn opleidingen. Mijn tijd in Londen. Mijn rol in het Midden Oosten. Alles. Maar het hield op bij de trip naar Rusland.
Ik wist dat ik verraden was. Dat liet de Rus ook doorschemeren. Ergens op hoog niveau zat een dubbelagent. Die alles over mij te weten had kunnen komen.
Dat was niets bijzonders. Overal zitten dubbelagenten. Maar op zo'n ogenblik voel je je rot. Door iedereen verlaten en verraden. Het was van mijn gezicht af te lezen dat ik getroffen was.
Ze wisten nu genoeg om mij te doden. Ik hoopte dat het hier bij zou blijven. Maar daar had ik mij lelijk op verkeken.
Tiewsjenko ging verder: 'je ziet dat we dus alles over jullie weten. Ook wat jullie in de U.S.S.R. gedaan hebben. We wisten dat jullie zouden komen. Van dezelfde agent die je levensgeschiedenis verschafte. We hebben jullie van het begin af aan laten volgen, vanaf de grens. Maar het is een regel in ons land dat verdachten hun eigen bekentenis moeten doen. Alleen een formaliteit dus. Laten we beginnen bij jullie aankomst in de U.S.S.R.' Meteen begreep ik dat de Rus nog niets wist van de dropping. Van de switch met jim. Hij had zichzelf ongemerkt verraden. Inwendig begon ik mij rot te lachen. Maar het ogenblik om 'volledige bekentenis' af te leggen was gunstig. Ze zouden er nu veel waarde aan hechten. Nu ik juist zo'n schokkende ervaring had gehad.
Ik moest nu maar de hele waarheid vertellen. Alléén: Ik liet alles in Yalta spelen. Ik vertelde alles van de dropping. Gaf de namen die ik gehoord had. Dat waren toch codenamen. Ik hield niets voor mij. Maar het speelde in Yalta. Door bijna alleen de waarheid te vertellen was het makkelijk mij niet te verspreken. Ik hoefde alleen me maar te herinneren wat er werkelijk gebeurd was en dat dan gewoon te vertellen. Ze waren toch volledig in de war. Ik had met De jager afgesproken dat we dit tenslotte zo zouden bekennen. Als we ooit gegrepen werden. Hij kon dus,ook precies vertellen wat er allemaal echt gebeurd was. Alleen had hij mij niet in de haven van Odessa ontmoet maar in de haven van Yalta. Dat was dus bijna de waarheid. Hierin konden wij ons bijna niet verspreken. Ze zouden ons geloven. Omdat de bekentenissen gelijk waren. Dan zouden ze gaan zoeken in Yalta. En eindeloos tijd verspillen, Onder de hand hadden wij het wat beter. Hoe meer ik vertelde hoe makkelijker het weg. De koffie werd goed. Ik kreeg te eten. Mijn mond bloedde vreselijk van het brood, Het was niet eens hard, Ik moest tabletten slikken. Er stond 'Aktedron' op het doosje. Hierdoor werd ik helder. Uiteindelijk waren er vijftig getypte vellen. Overal moest ik weer mijn handtekening zetten.
De volgende dag moest ik weer bij Tjewsjenko komen. Ik moest alles weer opnieuw bekennen. Dezelfde 'bekentenis als gisteren. De 'volledige, uiteindelijke bekentenis.' Wat een geluk dat zoveel waar was wat ik bekende.
Ik kon nu precies hetzelfde vertellen. Hoefde alleen te denken aan wat echt was gebeurd. Kon dat dan meteen spuien. Het was dus weer precies hetzelfde verhaal. Alles werd op tape opgenomen. Tjewsjenko had een grote stapel papieren voor zich. Het was de hele bekentenis van gisteren. Helemaal van de tape uitgewerkt. Iedere keer dat ik geaarzeld had stonden stippelt es. Hij zou straks de papieren van vandaag en gisteren natuurlijk naast elkaar houden. Dan zouden alle fouten en haperingen op dezelfde plaatsen er duidelijk uit komen. Uiteindelijk was dit systeem feilloos. Leugens zouden er op het laatst vanzelf uit springen. Als ze de papieren van alle verhoren gingen vergelijken. Ze zouden een wetmatig patroon vormen. Kleine haperingen en stemvariaties zouden regelmatig verlopen. Tegelijk gebruikte hij het verhaal van de vorige keer. Om mijn herhaling precies te volgen. Hij liep iedere regel met een rood potlood na. Gelukkig was het bijna allemaal waar. Anders had ik mezelf nu al verraden. Na drie uur waren we nu klaar.
Precies dezelfde tijd als gisteren. Zo kon je ook zien dat de twee bekentenissen gelijk waren. Toen ik al de papieren getekend had leek het verhoor afgelopen. Ik kreeg koffie. Tjewsjenko begon vriendelijk over de Russische winterkou te praten, Na een tijdje stond hij op. Pakte mijn arm en liep voorzichtig met mij naar de deur. Net twee ouwe vrienden. Maar bij de deur merkte ik wat een adder hij was: 'Waar hebt u de parachute begraven?'
Hij vroeg het echt onverschillig. Net of hij een praatje ging maken. Tjewsjenko was zo link als een looie deur. Om de belangrijkste vraag zo voor het laatst te bewaren. Ik wist dat dit het rotte punt in mijn bekentenis was. Ik had mij gisteren versproken. In een snel verhaal van de dropping had ik gezegd: 'De parachute begroef ik en ging daarna naar de weg die naar de Golden Beach loopt.' Tjewsjenko had z'n bek gehouden, Hij wilde mij alleen laten spuien, Maar nu hij het getype verslag voor zich had werd dat anders. Hij snapte het meteen, Het was het enige echte bewijs dat snel kon worden gecheckt. Ik was al wat duffer geworden, Omdat het verhoor afgelopen was, Toch had ik goed uitgekeken of hij over dat geintje met die parachute zou beginnen. Ik deed alsof ik de vraag niet gehoord had.
Zo kon ik even bijkomen. Door de schok zou ik zijn gaan aarzelen als ik meteen antwoord gegeven had. Dit zou met de fijne apparaten worden gemerkt. Te doen of ik niks gehoord had was ook gek. Maar er bleef een kans dat de Rus dan zou gaan twijfelen. Misschien had ik de vraag echt niet gehoord. Toen Tjewsjenko hetzelfde weer vroeg klonk hij kwaad. Ik was er niet ingetrapt. Verbaasd zei ik dat ik de parachute vlak bij de weg begraven had. En dat de RRS kapitein hem hier later had opgepikt. Heel even zag ik het gezicht van de Rus veranderen. Het straalde een verschrikkelijke haat uit. Dan lachte hij en hield de deur voor mij open. Ik wist nu dat Tjewsjenko in Wladimir mijn grootste vijand was.
Vijf dagen achter elkaar werd ik op dezelfde manier verhoord. Steeds dezelfde verhalen. Steeds alles op de tape. Steeds de volgende dag een dikkere stapel papieren.
Tjewsjenko begon iedere keer weer over onze toestanden met de Goldene jugend. Speurend naar een schandaal om hoofden te laten vallen. Of ik Svetlana zwanger gemaakt had. En wat ze daaraan gedaan had. Met wie Vasili het allemaal deed. Of ik daarbij was geweest. Wie er precies allemaal waren. Of het waar was dat we een veertienjarig meisje uit Yalta dronken gevoerd hadden. En toen met z'n achten tegen haar verweer en gegil in hadden geschonden. Daarna bewusteloos op het landje bij het station buiten de stad hadden gelegd. (Was waar, maar voor mijn tijd, ik had het verhaal van Vasili gehoord). Of de vriendschap van de zonen van Konjew en Zakarov intiemer was dan bij jongens verwacht mocht worden. Of wij gehoord hadden dat Fedorowa Foekowski haar kleine zoontje met de mond bediende. Ik had de indruk dat Tjewsjenko van dit soort verhoren genoot. Zweet parelde op z'n voorhoofd. Z'n oogjes werden klein en waterig en hij ging dan op een eigenaardige manier hees hijgend praten. Dan voelde ik dat ik hem in mijn macht had. Ik had dan een beetje met hem te doen. Een man zoals er zoveel waren in de ambtenarij van de hele wereld. Steeds vechtend tegen eigen driftimpulsen. Ze omzettend in een verwoede strijd tegen het zedenbederf van de 'geperverteerde jeugd.' Nu merkte ik hoe groot het voordeel was van mijn tijd bij de Hell Fire Club. Waardoor ik een heel gebied beheerste wat voor een heleboel mensen een bron van verwarring en paniek was.
Uiteindelijk sloeg ik helemaal door. Drie maanden had ik op een honger dieet gezeten. Was een wrak geworden. Tiewsjenko was mijn, enige contact met buiten. Ik was hem aardig gaan vinden. De laatste tijd werd ik alleen door Tjewsjenko geholpen. Ook in de cel. Als ik om de bewaker riep kwam er niemand. Niemand hoorde mij, wist dat ik nog bestond. Maar soms kwam Tjewsjenko. Bracht mij wat eten. Bracht mij water. Sprak vriendelijk met mij. Alsof de bekentenis hem al niet meer interesseerde. De belangstelling voor mij werd minder. Ook Tjewsjenko zag ik niet zo vaak meer. Maar hij was de enige die ik nog ooit sprak. Toen, op een 'nacht' besloot ik eindelijk alles er uit te flappen. Drie maanden hadden ze nu in Odessa de tijd gehad.
Bij het eerstvolgende bezoek van mijn vriend Tjewsjenko vertelde ik hem dat ik hem helpen zou. Ik hoefde alleen maar 'Odessa' te zeggen. Meteen had hij alles begrepen. Hij liet mij bijna niet uitpraten. Rende weg. Ik hoorde hem vlug de gang af lopen. Tjewsjenko wist nu zeker dat ik niet loog. Hij ging het nu aan het plaatselijk militair district melden. Om te laten onderzoeken wie nog konden worden gepakt.
De verhoren begonnen opnieuw. Er werd nu bijna niets meer gevraagd. Ze lieten mij praten. Het leek of ik mijn eigen doodvonnis schreef. Of we allemaal aan dezelfde kant stonden. Ik probeerde niks over te slaan. Het was een vreselijke opluchting. Wat zouden ze met mij gaan doen. Werd ik nu verhandeld? Of doodgeschoten?
De enige die ze nog konden pakken was Douschka. Het veertienjarige meisje dat mij in Odessa verpleegd had. Op een dag kwam ik haar op de gang tegen. Toen ik naar het toilet was geweest. Ze was zeker net aangekomen. Haar haar was nog lang. Ze had nog een frisse kleur op haar wangen. Van het zuivere buitenleven. Ze werd door twee bewakers naar de douches gebracht. Daar zou ze geschoren worden.' En gevisiteerd. Ik had plotseling vreselijk de pest in. Dat juist dit lieve onschuldige ding hier nu gevangen zat. Ze had alleen maar wat koerierswerk gedaan. Wist zelf niet eens wat voor berichten ze vervoerd had. Wat kon zo'n kind nou bekennen. Wat zouden ze met haar doen? Later merkte ik dat ze in de cel vlak naast mij kwam. Hoopten ze dat we met elkaar zouden gaan praten? En zo iets loslaten wat nog niet bekend was? Ik liet haar maar niet merken dat ik wist dat ze hier zat.
Vannacht werd ik wakker door het gillen van Douschka. Het was donker. Op de gang was het licht uit. Door het kijkgat scheen ook geen licht meer. Ik probeerde overeind te komen. Maar kettingen maakten mij bewegingloos. Er zijn verschillende mensen in de cel van het meisje. Ze lijken dronken. Ik hoor lallend Russisch. Soms is het even stil en hoor ik alleen veel beweging. Dan weer plotseling een gil van Douschka. Die gaat dan meteen weer over in een soort blazen. Alsof iemand iets in haar mond probeert te stoppen. Ze maakt braakgeluiden. Alsof ze moet overgeven. Weer dat lachen. Dan hoor ik weer allerlei bewegingen. Het bed piept. Nu kreunt het kind ineens vreselijk, op een gesmoorde manier. Het is een onderdrukt krijsen dat diep uit het lichaam lijkt te komen. Dan heeft ze haar mond vrij gewrongen en een snerpende gil, een krijsende schreeuw die steeds onderdrukt was komt ineens vrij. Het gaat door alles heen. Door de muren. Het is een verschrikkelijke gil van een meisje in doodengst. Toch komt er geen hulp. Het krijsen wordt wreed onderdrukt. Ik hoor weer het reutelend hijgend lachen. Dan, heel even, snerpt weer het gillen vrij. Misschien een seconde. Dan snotteren, als iemand die stikt ' wiens keel wordt afgesnoerd. Duidelijk hoor ik het verschil tussen de geluiden van het kind in doodsangst, en het gehijg van de mannen. Die nu zelf ook alleen nog maar hijgen en kreunen. Maar op een andere manier. Als het een kwartier zo is doorgegaan, hoor ik alleen de mannen nog maar. Een diep hijgen. En dat ritme. Daarna wordt het stil.
Het is alsof ik duizelig ben. Alles draait om mij heen. Ik heb het gevoel dat ik moet proberen mijn geest uit mijn lichaam te laten wegvluchten. Ik wil overgeven maar als ik mijn hoofd probeer op te tillen is het alsof een grote hand op mij drukt. Dan lijkt het alsof de cel steeds groter wordt. Steeds groter. Totdat er alleen een onpeilbare zwarte ruimte is. Die mij op een ondefinieerbare manier verschrikkelijk angstig maakt, radeloos angstig. Het is net alsof de celmuren scheef zijn gezakt. Mijn lichaam lijkt heel groot te worden. Maar van binnen is een enorme leegte. Hier komt de angst vandaan. Uit deze leegte. En hij vult de hele eindeloze duisternis. De duisternis heeft een bovenkant die op mij wil vallen.
De volgende dag weet ik niet of ik geslapen heb of niet. Er is geen overgang. Ik ben helemaal in een hoek van de cel gekropen. Zover mijn kettingen dat toelaten. Dan hoor ik zware voetstappen. Ze hebben een vreemd ritme. Een vreemd zwaar ritme dat ik niet ken. De deur gaat scheef open en een rare kwabbige man wenkt mij. De kettingen vallen van mij af en ik voel me ontzettend klein als ik naast deze reusachtige man naar de douches strompel. Onderweg kijkt iedereen mij op een vreemde manier aan. Ik hoor zacht lachen. Zou ik gedood worden? Definitief nu? Waar ik voorbij ga houden de bewakers op met praten. Ze kijken mij stil na, alsof er iets is wat allen weten. Alleen ik niet. Het gaat over mij.
Die nacht laten ze gas in mijn cel stromen. Ik word wakker van het sissen. Eerst leek het een droom te zijn maar ik werd wakker toen het steeds luider werd en de gassen de cel gingen vullen. Toch ben ik er kennelijk niet aan doodgegaan. Het was alleen ontzettend benauwd en het maakte mij verschrikkelijk angstig. Ik werd drijfnat van het zweet. Een volgende keer lukt het ze.
Bij het laatste verhoor merkte ik dat ik uit het stopcontact bestraald werd. Een vreemd soort straling, willen ze mij radioactief maken? Ik moet steeds zo gaan zitten dat ik uit de onzichtbare stralenbundel van het stopcontact blijf. Tjewsjenko heeft het in de gaten en maneuvreert mij steeds weer in een gevaarlijke positie. Weer een extra spanning. Een extra pressie.
Van de dokter krijg ik oranje tabletjes. Maar ik wil ze niet slikken. Want ik weet dat het gif is. Maar dan wordt het fijngestampt en in een rond wit soort vloeitje gedaan. Ze vouwen het op en wringen het tussen mijn samengeklemde kaken. In mijn mond smelt het vloeitje vanzelf. Ze houden mijn neus dicht, dat ik slikken moet. Mannen in witte pakken houden mij vast.
In januari werd ik naar een cel op de eerste verdieping vervoerd. Deze moest ik delen met De jager. Maanden zaten wij samen in de kleine ruimte. Maar we hadden het goed. Boven ons waren de hospitaalcellen. Dat was wel makkelijk. Iedere dag deden verpleegsters de ronde om te kijken of we gezond waren. Dan ging het luikje van de cel open en vroegen ze: 'Hebt u klachten?'
Wij zaten in cel 35- Op 29 zaten twee West-Duitse studenten. Walter Neumann en Peter Sonntag. Op 31 zat Gerry Powers. Samen met een Litauer. Later zat Marvin Makinnen daar. Ook met de Litauer. Wij vertrouwden de Litauer niet. Ook Grevill Wynn kwam op deze gang bij de Litauer. Toen Makinnen weg was. In 33 zat overdag een Duits echtpaar. 's Nachts werd de vrouw in 34 gezet. De wc was aan het andere uiteinde van de gang. Hij had dezelfde afmeting als een normale cel.
Op een goede dag moest ik met De jager naar Moskou. Helemaal onverwachts. We kregen onze eigen kleren weer. Toen wist ik dat het erop zat. De KGB had woord gehouden. Er was precies twee jaar voorbijgegaan sinds de deal.
Ik zit in de cockpit van de KLM Elektra. Op de enigeer's seat. Het lijkt eeuwen geleden dat ik in een cockpit zat. Ik durf niet zelf te vliegen. Hou mijn bek dat ik vlieger ben. Een merkwaardig soort zwijgzaamheid. Ik ben er nog niet aan gewend om te gaan met vrije mensen. Het liefst praat ik helemaal niet meer. Lekker rustig. Ik heb Enigermate Zwaar De Pest in dat al die drukte voor ons ligt. Met de pers. In het vliegtuig reisden al journalisten mee. Ze boden grote bedragen. Ineens heb ik een vreemd heimwee. Naar de rust van het laatste jaar in Wladimir. Naar de eindeloze Russische steppen. Eigenlijk ben ik van Rusland gaan houden.
Ik wist dat ik tegen de pers moest zwijgen. Artikel 75 Wetboek van Strafrecht was me in Nederland vaak genoeg voorgehouden. Bij een onvoorzichtig woord zou ik meteen worden gegrepen. Binnenskamers veroordeeld. Gemarteld worden. Ongemerkt verdwijnen. Eerst moest ik daar iets op vinden.
Nu zou dus de tijd komen dat ik gedropt werd. Standaardprocedure met een gevallen spion. Nergens werk. Verpauperen. In de hoop dat de KGB dan contact zou leggen en ik een dubbel-agent kon worden.
We vliegen Amsterdam FIR binnen. Schiphol Control op de R/T. Minuten later wordt de let down al ingezet. De radar heeft ons met VIP-voorrang door de holding geloodst. Onder ons komt het 8/8 wolkendek nader. Beneden zou het regenen.
Nu een nieuw hoofdstuk in mijn leven gaat beginnen kijk ik even terug. Is het spel goed gespeeld? Ik voel een neutrale tevredenheid. Ook omdat ik goed heb gegeten. Het is alles bij elkaar wel de moeite waard geweest de afgelopen tien jaar. Nog net de moeite waard. Meer moet je nooit verwachten. Ik voelde mi als een die gekeken had. En besliste. Rustig zag ik de raampjes grijs worden.
Terug naar: Books by Haylitt Retief
Copyright Haylitt Retief & Evert Reydon ©
Een ieder zal zich nog de sensationele berichten herinneren over
Reydon en De Jager die in 1961 in Rusland gearresteerd werden op beschuldiging van
spionage.
In deze spionage-autobiografie vertelt Reydon - na zoveel jaren zwijgen dat hij inderdaad
gespioneerd heeft. En niet alleen dat. Op meeslepende wijze vertelt hij de story van zijn
leven: zijn luxueuze jeugd, zijn leven als zeeman, zijn opleiding tot meester-spion van
NATO, zijn avonturen als internationale playboy in Engeland, Frankrijk en het
Midden-Oosten, de martelingen in zijn Russische gevangenschap - enfin, het is een boek, zo
veelomvattend, zo ondragelijk spannend en zo authentiek, dat een weergave van de inhoud
onmogelijk is.
En bovendien is het zo realistisch dat we dit boek de preutse lezer sterk moeten ontraden

