
By Haylitt Retief
Polak & Van Gennep Amsterdam 1967
Copyrights Haylitt Retief & Evert Reydon ©
1
EUROPA
Ik werd geboren als een onschuldig lam in een wrede wereld. Vaak denk ik met enige walging terug aan mijn uiterst luxueuze, enigszins misdadige jeugd. We woonden buiten de stad, op een groot landgoed, in eigen bossen, op een klein kasteel met water eromheen en een brug die je op kon halen. Omdat het haast niet warm te krijgen was woonden wij alleen 's zomers in het kasteel. Mijn moeder gaf dan vaak feesten. De zalen werden verlicht met grote kaarsen die speciaal voor ons waren gemaakt.
s Winters woonden we in een paar huizen vlakbij het kasteel. De huizen waren eigenlijk groter dan het kasteel en ik vond ze niet zo gezellig, ook omdat er altijd zoveel logé's waren en ik mijn ouders nooit zag. Ik moest dan steeds met mijn paard in de bossen rijden, dat was zo goed voor mij. Ik geloof wel dat ik als kind erg verwend ben, niets was voor mij goed genoeg. Zo had ik alleen maar cashmere- en vecuna-pakj es, zijden hemden en laklaarsjes die je vreselijk hoog dicht moest rijgen, en een adellijke gouvernante die ik met poep gooide. Zij werd later ontslagen omdat ze mij steeds maar wilde wassen, iets waar ik mij flauw nog wat gekke details van herinner. In ieder geval schijnt toen de basis gelegd te zijn voor mijn uiterst sensitieve natuur, vooral wat de andere sexe betreft. Mijn eerste 'verzetje' vond ook in het bad plaats, maar daarover later. Toen ik wat ouder werd kreeg ik een Engelse gouverneur, die mij allerlei beginselen bij bracht. Ik vond het wel jammer dat ik niet naar school mocht zoals de kinderen van onze bedienden, die in een paar huisjes aan de rand van ons bos woonden. Een soort dorpje hadden ze daar, waar ik wel eens in het geheim ging spelen.
Er heerste op ons buiten een gespannen atmosfeer in die tijd. De Duitsers waren net Polen binnengevallen en het hele land stond op z'n kop. Nu de wereldoorlog was begonnen werden grote zuiveringen gehouden onder de leidinggevende figuren uit de Duitse society, Wie niet achter de Führer stond was tegen hem. M"n vader, die directeur van de Shell was, had geweigerd de Duitse olieconcessies in de Oekraine te zullen aanvaarden.
Dit betekende dat het later, als de Oekraïne veroverd was, heel moeilijk voor Duitsland zou zijn de olieproductie daar op gang te brengen. Ze hadden er op gerekend met de benzinevoorziening van het toekomstige Oostfront. Ook had mijn vader juist geweigerd partijlid te worden en verder Hitler nog tijdens een korte ontmoeting op een cocktail-party gezegd, dat het hem speet dat hij altijd zo vulgair was. Dit alles gebeurde op dezelfde dag, vlak na de inval in Polen. Ik was toen net zes jaar.
Die avond waren de soldaten gekomen.
's Nachts werd ik uit mijn slaap gewekt door geren over het parket in de gangen. Ik hoorde onderdrukte kreten. Ik ging voor het raam staan en zag vreemde mensen. Met twee groene wagens waren ze aangevoerd. Ze droegen bruine pakken. Snel sloop ik de gang af. Over de marmeren trap liep ik naar de hall waar zacht geluid van vertrouwde stemmen klonk. Maar voor ik bij de anderen was hoorde ik rauwe kreten en vloeken bij de voordeur. Een machinegeweer ratelde in het slot. De deur vloog open en plotseling stormden geuniformeerde, jonge mannen (jongens nog) naar binnen. Instinctief dook ik tussen de jassen die aan de kapstok hingen, onderaan de trap. Toen gingen lichten aan en zag ik onze twee dienstmeisjes. Uit de bediendenvertrekken waren zij in hun nachtjurkjes naar de centrale hal gevlucht, hopend op bescherming in het kasteel. Mijn veertienjarige nichtje Lise, die bij ons logeerde, was er ook al. Harm, onze butler, stond met opgeheven arm bij de deur. Even later werd hij neergeslagen door een jongen die ik wel eens in het dorp had gezien. De kolf van zijn geweer daalde neer op het hoofd van Harm, toen hij al op de grond lag. Bloed spatte rond. Dan zag ik hoe de jongen enkele snelle steken in het lichaam van de oude butler joeg. Bloed volgde het mes toen het terug werd getrokken. De meisjes waren in een hoek op enkele meters van mij vandaan bij elkaar gekropen. Het leek of zij nog niet waren opgemerkt. De soldaten hadden het te druk met het vernielen van onze schilderijen, de harnassen die in de hall stonden en de gebrandschilderde ramen. Weinig later was de chaos volledig. juist wilden zij naar een ander vertrek gaan, toen de oudste, een knaap van een jaar of vijfentwintig, de meisjes zag.
'Du, guck mal hier', zijn stem klonk schor. Binnen enkele seconden stonden twintig man om de meisjes heen. Even viel er een stilte, alsof er een aarzeling was. Dan zag ik de kinderen instinctief dicht bij elkaar kruipen, angstig hielden zij elkaar omklemd. Met wijd opengesperde ogen keken ze naar de jongens. Er was een onbestemde dreiging welke ik spoedig begreep. Plotseling zag ik dat Gertrud, ons oudste dienstmeisje (ze was net zeventien geworden) voor de anderen ging staan. Zacht en zonder tranen leek zij te huilen. Gefascineerd bleef ik kijken. Ik voelde dat er wat zou gaan gebeuren, hoewel ik nog nooit iets gehoord had over wat mannen met meisjes deden.
Toen, ineens, als één man op een onzichtbaar teken, renden de jongens naar voren. Wezenloos, zonder één geluid te maken, als wassen poppen haast, lieten de kinderen met zich doen. Op een vreemde manier werden ze op de grond gelegd, de armen en benen wijd gespreid. Op de uitgestrekte armen en benen zaten jongens, zodat de kinderen bewegingsloos waren. Ik zage hoe de anderen achter elkaar gingen staan, opdringerig, een groep voor elk. Een lange blonde knaap van een jaar of achtien stond vooraan bij het groepje dat vlak bij mij was. Ik zag hem ongeduldig aan zijn broekriem sjorren. Dan zakte zijn broek naar beneden, zodat hij in zijn blote billen stond. Verbaasd, jaloers haast, zag ik de vreemde harde witte paal die rechtop stond tussen zijn benen. Toen hoorde ik ook voor het eerst het doffe snikken van Lise. Het leek of de jongen over haar heen wilde kruipen. Zij snikte zacht: 'Oh Gott nein! Urn Gottes Willen, was willst du denn!' Een ander stond tussen mij en het meisje in, zodat ik niet haar hele lichaam kon zien. Wel zag ik haar gezicht en haar benen. Ze had een pyamabroek aan. Ik zag hoe de jonge soldaat haar pyamabroek probeerde uit te trekken. Maar omdat haar benen zo gek wijd gespreid waren ging dat moeilijk. Dan hoorde ik scheuren en zag ineens flarden stof van haar afgerukt worden. Steeds had ze gegild, maar nu werd ze plotseling stil. Haar mond hing een stukje open en haar ogen waren gesloten. Ik voelde een vreemde warmte door mijn lichaam gaan, die ik nooit eerder gevoeld had. Ik wilde niet kijken, maar het was alsof een macht waar ik niet tegen vechten kon mij dwong naar het tafereel te blijven kijken. Aan de ene kant van de soldaat, die pal voor mij stond, zag ik de blonde jongen nu helemaal over mijn nichtje heen kruipen, tot ik alleen zijn onderlichaam nog zag en z'n hoofd, dat nu vlak bij het hoofd van mijn nichtje was. Ik had nog even het grote witte ding gezien dat hij met zijn handen probeerde te sturen.
Daarna zag ik alleen zijn kleine gespierde billen nog maar. Plotseling sperde mijn nichtje haar ogen wijd open. Er was even een soort verbazing in haar blik. Dan sloeg ze met haar hoofd naar achteren, terwijl al de spieren in haar lichaam plotseling leken te spannen. Op hetzelfde ogenblik kwam er een vreemd geluid uit haar binnenste. Alsof ze had willen gillen maar net geen lucht had. Het was een soort snikkend naar adem happen. Toen zag ik dat de jonge soldaat haar beetpakte en haar gezicht zo draaide dat het vlak bij het zijne was. Nu ging hij met zijn mond over de hare, en zij kon niet meer gillen. Wel probeerde ze steeds haar gezicht los te wringen maar dat lukte niet. De witte billen van de jongen gingen op een vreemde manier op en neer en na een tijdje werd Lise helemaal slap. Het leek alsof ze nu minder met haar armen en benen wrong, alsof ze uitgeput was geraakt. Om de beurt deden de andere jongens nu datzelfde bij haar, terwijl zij daar maar lag, rustig nu. Alleen haalde ze op zo'n gekke hortende manier adem.
Terwijl ik angstig stond toe te kijken, was de hall plotseling gevuld met twee keer zoveel mannen. Ik zag mijn vader met boeren van onze boerderijen en mannen uit het bediendendorp. Verder een groot aantal ouderen die ik niet kende. Grote sterke kerels waren het. De jonge soldaten waarvan er velen nog zonder broek rondliepen, vulden de hall met hun geschreeuw en gegil. Ze renden als gekken heen en weer. Hun geweren hadden ze in het begin tegen de trap gezet, allemaal bij elkaar. Er stonden al een paar mannen bij die met mijn vader waren meegekomen. De meeste van hen hadden rubber knuppels en stokken bij zich. Voordat ik goed en wel wist wat er gebeurde, begonnen de mannen op de soldaten in te ranselen die vreselijk gilden en ineens ontzettend bang leken. Spoedig lag er een heel stel op de grond. Ze hadden meteen een groep mannen om zich heen die met hun allen op de jongens insloegen. Vooral op het blote lichaam, op hun rug en billen, en ook tussen de benen, waar ze het kwetsbaarst waren.
Nu zag ik ook dat er meer mannen waren dan soldaten. Het was een afschuwelijk gegil. Op het laatst werden de jongens stiller, er was alleen nog hier en daar een dof kreunen en een reutelend hijgen. Ze lagen nu allemaal op de grond. Ze hadden overal striemen en strepen op hun lichaam. De mannen waren helemaal uitzinnig van woede. Overal was bloed en er hing een vreselijke lucht van ontlasting en urine waar ik misselijk van werd. Alles om mij heen begon plotseling te draaien en ineens leek ik weg te zinken in een eindeloze diepte.
Toen ik bij kwam merkte ik dat we in onze wagen zaten. De zwarte Opel Admiral raasde over de rechte weg. De witte stralenbundels van de koplampen vermengden zich met het koude maanlicht dat de velden een hardheid gaf die de eeuwen had getrotseerd. De natuur was ongevoelig voor het leed der mensen. Ik lag tegen mijn vader aan. Hij had zijn arm om mij heen geslagen. In de andere hoek van de wagen lag Lise. Meteen begreep ik dat wij niet meer terug zouden komen. Dat we Duitsland zouden verlaten. Een tijdje reden wij nog met grote snelheid over de hoofdweg, later sloegen we plotseling af en kwamen we op een kleine weg door de bossen. Na een half uur stopten we bij een boerderij. Hier kwam meteen een man op een motor tevoorschijn. Deze bleef nu verder voor ons uitrijden. Het werd spannend toen we de weg afgingen en verder over een klein zandpad moesten. Niet veel later stonden we ineens weer op een vrij grote weg. We waren in Nederland.
Veertien gewapende motorrijders escorteerden ons vanaf de grens op onze hele rit door het land. De Nederlanders leefden onder hoogspanning en onze gepantserde Opel Admiral had een Duits nummerbord. De Nederlanders vreesden dat we hierdoor misschien in moeilijkheden zouden komen. Mijn vader was te belangrijk om risico's mee te lopen. Hij was nauwkeurig op de hoogte van het brandstofpotentieel van het Duitse leger. Voor de Geallieerden waren zi n inlichtingen van vitaal belang. Men vreesde ook dat de illegaal in Nederland werkende Gestapo ons zou onderscheppen.
We gingen in Wassenaar wonen. Er was een vleugel van kasteel Oud-Wassenaar voor ons gereserveerd. Na enkele maanden vielen de Duitsers Nederland binnen. Omdat mijn vader nu door het hele Gestapo-apparaat gezocht werd, moesten we meteen onderduiken. We kwamen op verschillende adressen.
Ik werd bij een boerenfamilie op de Veluwe ondergebracht. Na de oorlog zag ik mijn ouders pas terug. Op de boerderij waren ze eerst heel aardig voor mij. Mijn vader had de boer een zak stofgoud gegeven om in mijn onderhoud te voorzien. Maar toen de oorlog zo lang duurde raakte het goud op. Mijn vader was bij het leger in Engeland gekomen. Omdat de boer zo'n tijd niets van de familie hoorde zat hij wel een beetje met mij in zijn maag. Op een dag toen ik alleen met de boer op het land was, wilde hij mij naakt in het koude water laten baden. Hij werd toen helemaal opgewonden en wilde met mij stoeien. Hij was veel sterker dan ik, maar uiteindelijk krabde ik z'n gezicht open en liet hij mij schreeuwend los zodat ik weg kon rennen met mijn kleren. Ik kon nergens heen omdat ik ondergedoken was, dat wist de boer. Het was een bekend grapje dat ze met onderduikers uithaalden. Toen moest ik gaan werken. Twee jaar heb ik op het land en in de stallen gewerkt. Mijn kamertje op zolder moest ik nu delen met twee zoontjes van de boer, waar ik altijd mee vocht. Ze waren sterker dan ik, maar ik was gemener. Steeds verloor ik van ze, maar zelf hielden ze er ook altijd bloedingen en kneuzingen van over. Daarom hebben we later vrede gesloten. De boer trok z'n eigen kinderen voor en wilde zich op mij wreken. Ik moest altijd de rotste karweitjes opknappen. Als ik het niet goed deed werd ik afgeranseld. Uit wraak heb ik een keer het hooi in de hooischuur in brand gestoken. De hele schuur brandde af. Het was gaan broeien dachten ze allemaal. Maar ik wist wel beter. Op een dag moest een andere onderduiker op mijn kamer. Toen moest ik in de stallen slapen. Ferst vond ik het een rotstreck, maar later ging ik me aan de dieren hechten en voelde mij er erg gelukkig. Na een paar weken rook ik zo naar mest dat ik niet meer binnen mocht eten. Dat moest ik maar doen in de stal bij de dieren. Ik vond dat wel prettig want de boerin stonk vreselijk naar zweet en dan moest ik steeds zo braken. De koeien raakten helemaal aan mij gewend omdat ik ze verzorgde en nu ook bij ze sliep. De waakhond, een grote valse herder, werd mijn grootste vriend. Als de boer kwaad was en ik ransel moest hebben, kroop ik bij hem in de cirkel. Dan hapte hij naar alles wat aan mij wilde komen. Hij blafte dan niet maar kroop laag over de grond, met z'n oren plat, z'n kop half naar boven seling naar je strot. Z'n grootmoeder was met een wolf gekruist. Zodoende.
Na de oorlog groeide ik op in de vreemde, verworden wereld van een losgeslagen upperten. Normen bestonden niet. Alles was geoorloofd. Wij leefden in een overwinningsroes. Vrijheid was het toverwoord. Ook in de opvoeding. Onze ouders lieten ons doen en laten waar we zin in hadden. Terwijl ze zelf op week-ends in grote wereldsteden als Parijs, Londen, New York de schade van jaren ontbering in een bruisende roes inhaalden. Wij waren in ons huis in Wassenaar gaan wonen. Het was een huis met negentien kamers en elf badkamers. Bij iedere slaapkamer was een badkamer. De zolderverdieping was voor mij omgebouwd tot een hypermoderne flat, zware tapijten bedekten de grond.
Toen ik in de eerste klas van het lyceum zat werd ik geronseld voor de Hell Fire Club.
Alleen de mooiste leerlingen mochten lid worden. Je kon alleen lid worden als je
geintroduceerd werd door twee leden van het andere geslacht, Er was een speciale keuring
door het bestuur waar de nieuwe leden gekeurd werden, zodat er op de naaktfeesten die door
de Hell Fire Club werden gehouden (daar was de club speciaal voor opgericht) geen
afknappers rondliepen. Maar eerst moesten de nieuwe leden een soort examen afleggen. Over
de mores van het genootschap. We kregen stencils die M.B., de voorzitter, in het geheim
getikt had. Die moesten we uit ons hoofd leren.
De moraal van het genootschap was, dat wij om filosofische redenen boven de wet stonden.
Wij wilden niet zonder meer de normen van de cultuur overnemen, maar deze eerst zelf
testen. En dan eventueel door redelijk inzicht aanvaarden. Ons uitgangspunt hierbij was,
datje niet meer gemakkelijk kan bezwijken voor verleiding als je eenmaal wist-wat het was
om verleid te worden, wat het betekende om slecht te zijn. Ons ideaal was dat wij zouden
funktioneren zonder onbewuste verlangens, die ten koste van veel energie verdrongen
moesten blijven, en alleen volgens de rede. Dit hield in dat we tenslotte strikt volgens
de geldende normen zouden gaan leven. Later, als leidinggevende volwassenen. Maar de
bedoeling was dat we dan wel alles eerst zo'n beetje hadden geprobeerd. Onze yell was
'Bring it out man! Bring it out!' Daarmee bedoelden we dan de verdrongen driften, waardoor
de mens zich van de dieren onderscheidt. Ergens moesten wij dus eerst weer een soort
dieren worden. M. B. legde mij uit dat de jeugd van nu later misschien op vreemde planeten
zou komen, waar hele andere regels gelden. Het was daarom belangrijk dat wij rationeel op
de hoogte waren van de regels zoals die in onze samenleving bestonden. En niet zouden
worden geleid door redeloze angst voor eigen onbegrepen driftimpulsen. Wij wisten dat
normen gedrags regels waren die in honderden of zelfs duizenden jaren uitgekristalliseerd
waren uit allerlei menselijke gedragspatronen en als zodanig recht van bestaan hadden en
die vaak zelfs de beste oplossing waren voor de menselijke problemen zoals die tot een
bepaald ogenblik hadden bestaan. Maar de problemen veranderden en zo moesten ook de normen
veranderen. Maar normen veranderden moeilijk, want die zaten in ons geweten waar we mee
waren opgegroeid. De samenleving kon alleen geolied lopen als alle individuen ongeveer
dezelfde gewetens hadden. Gewetens die bestonden uit klaarliggende reactiepatronen. Zodat
niet iedere oplossing voor een bepaald probleem steeds door de individu die er mee
gekonfronteerd werd, opnieuw uitgedacht hoefde te worden.
Daarom moesten die oplossingen goed in het geweten verankerd liggen. Opdat er geen twijfel
was iedere keer. Zo was een normensysteem, op een bepaald ogenblik gezien, een statisch
systeem. Er waren steeds krachten werkzaam die ervoor zorgden dat het stelsel zijn
bestaande vorm behield. Maar omdat er nieuwe problemen ontstonden door technische
vooruitgang, moesten er ook veranderingen in de normen komen. Een normensysteem over
langere tijd, was een dynamisch systeem. Beide aspecten van het systeem, hoewel
tegengesteld, hadden bestaansrecht. Waren de kern. Transversaal statisch, longitudinaal
dynamisch, dat was ons motto. Een eis van het statisch aspect was, dat we onze speciale
aktiviteiten niet in het openbaar hielden. Maar een noodzaak voor het dynamisch aspect,
dat er bepaalde individuen waren die niet zonder meer de bestaande regels overnamen en
daar dan in vast bleven zitten. Er moesten er zijn, die bij het begin begonnen. (Sex als
bij dieren bijvoorbeeld.) Maar die dan in hun eigen leven de normatieve ontwikkeling tot
het aktuele stadium waar de cultuur zich in bevond doorlie en. Rationeel doorlie en zodat
ze bewust een stapje veder konden gaan waar dat nodig was. Ongeremd door irrationele
afweermechanismen van het onbewuste. Omdat wij dus gewetenloos moesten beginnen, bestond
het lesprogramma voorlopig uit het schenden van zowat iedere bestaande norm. Wi moesten op
goede voet komen met ons onbewuste. Het is mogelijk dat al onze theorieën slechts een
rationalisatie waren voor de beestachtige wijze waarop wij ons, vooral sexueel, in het
genootschap uitleefden. Maar een goede rationalisatie kan best een goede theorie zijn.
Hele theorieën van wetenschap en filosofie zijn opgebouwd uit de rationalisaties van hun
ontwerpers, die zich in moesten passen in een vijandige cultuur. De werkelijke genieën
deden dit door de cultuur te veranderen. Niet door wetten te schenden, maar door wetten te
maken, nieuwe wetten. Zodoende.
Zo sprak M. B., voorzitter van de Hell Fire Club, 'wreed brokje', 'de grote schender',
om enkele van zijn bijnamen te noemen.
Daarna volgde het mondeling examen en moesten wij verklaren de geheimen van het
genootschap te bewaren. Verraders werden gemarteld. Dan volgde de keuring, altijd met vier
tegelijk. De keuringen werden bij M. B. thuis gehouden. Z'n ouders waren meestal in het
buitenland (M. B. w-as al zestien), dus we hadden daar geen last van nieuwsgierigen.
De bedienden zaten altijd in het bediendenhuis en 's avonds had M. B. het rijk alleen. Ze
woonden op een landgoed tussen de bossen, tegen de duinrand. Het was er stil en verlaten,
maar overal in het grote huis brandden open vuren zodat het er toch erg behaaglijk was. In
M. B.'s grote kamer op de tweede verdieping, zat dan het volledige bestuur dat uit 3
jongens en 3 meisjes bestond. Ze waren allemaal boven de veertien, dat was een regel waar
niet van eweken werd. Het bestuur zat in een hoefijzer om de onderzoektafel. Een oude
dokterstafel die M. B. van z'n pa gekregen had (M. B.'s pa was psychiater en z'n moeder
longarts). Dan kwamen de nieuwe leden binnen, altijd met 4 tegelijk, het moesten 2 mooie
jongens en 2 mooie meisjes zijn. Ze gingen dan op een lage bank in een hoek zitten en
werden om beurten gekeurd, vanwaar wij zaten kon je alles zien. De jongens werden door de
meisjes uit het bestuur gekeurd en de meisjes door de jongens. je moest op de
onderzoektafel gaan liggen met je kleren aan. Die werden dan door de keurder langzaam,
één voor één, van je lichaam gestroopt. Hoewel ik wist dat het voor de naaktfeesten
was had ik toch vreselijk de pest in. Op de avond van mijn keuring was ik de enige
eersteklasser en voelde ik me dus wel rot. De hogere-klasseres werden eerst gekeurd. Eerst
kwam Dik V. een jongen uit de tweede; hij was zelf al veertien en ik snapte maar niet dat
hij zo wezenloos met zich liet sollen. Hij werd gekeurd door Liesbeth H. wiens vader ook
specialist was (zij wilde later ook medicijnen studeren). Ze kleedde hem langzaam, stukje
bij beetje uit. In het begin deed hij of het een geintje was, maar toen ze zijn grijze
flanel ging afstropen vond hij het al minder leuk. Overal bevoelde en beklopte ze hem.
Toen moest hij 'opwippen' en trok Liesbeth snel ook z'n onderbroek uit zodat hij nu
helemaal naakt op de tafel lag. Hij was helemaal stil en rood geworden en toen Liesbeth
hem erg intiem ging onderzoeken, wilde hij eerst tegenstribbelen, maar dat durfde hij toch
ook weer niet. Dus werd tergend langzaam het hele programma afgewerkt, ze sloeg niets
over, stroopte hem zelfs helemaal af en kneep langdurig in zijn kleine rose zak.
Daarna mocht hij zich weer aankleden en ging hij stil en verlegen weg. Toen was het de
beurt van Marja van L. Zij werd door M. B. zelf gekeurd en hij deed het ontzettend
grondig. Maar Marja was helemaal wezenloos bleef met haar ogen dicht de hele tijd doodstil
liggen, ook toen M. B. haar kanten kleine slipje naar beneden trok zodat ze naakt was.
Maar bij de controle op de maagdelijkheid begon ze zacht te huilen en ik hoorde haar
fluisteren 'Toe nou, dat hoeft toch niet, toe nou Wim...' Maar M. B. deed het toch.
Logisch. Ik had bij de keuring van de twee meisjes een vreemde warmte door m'n lichaam
voelen gloeien en was helemaal in een soort droomtoestand toen het mijn beurt was. Later
hoorde ik dat Liesbeth er vreselijk voor gevochten had dat ik lid zou worden en dat ze
ruzie had gehad met Ineke C., het andere bestuurslid, omdat ze mi allebei hadden willen
keuren. Toen werd erom geloot en heeft Liesbeth het toch gewonnen. Ik heb het geweten.
Later heb ik mij op een van onze feesten verschrikkelijk gewroken.
Mijn hele verdere jeugd heeft in het teken van de Hell Fire Club gestaan. De invloed
die de club op mijn ontwikkeling had was groot. Er heerste kameraadschap onder de leden en
bijna al onze vrije tijd werd met clubaktiviteiten gevuld.
Bij J. hadden we een casino op zolder. Op een grote ping-pong tafel was een
roulette-tableau geschilderd. Je mocht inzetten zo hoog als je wilde. Er was geen limiet.
Er werden soms hele sportwagens ingezet. Of kostbaarheden van onze ouders. Of ook wel eens
elkaars meisjes. Met de sportwagens gingen we in Zandvoort op het circuit racen. Tot ze
over de kop gingen. Meestal in de tarzanbocht. De kunst was om de auto dan ergens op de
openbare weg nog een keer over de kop te laten slaan zodat de verzekering toch
uitbetaalde. Want voor ongelukken op het circuit betaalden ze nooit uit. Ik kreeg later
een oude Ford Sport-cabriolet van mijn broer uit Zuid-Amerika.
Die heb ik nog steeds. Ik heb hem al vaak helemaal weer op laten knappen. Hij rijdt nog
steeds honderdvijftig. Van een belangrijke ex-BS man in Amsterdam kochten wij wapens. Hij
was aan lager wal geraakt toen de oorlog over was. We hadden sten-guns en FN-legerpistolen
met 2o.ooo 9 mm-patronen. Daarmee gingen wij in de duinen op konijnen schieten. We
jakkerden dan in onze sportwagens 's nachts over de duinpaden en vingen de diertjes in het
licht van onze koplampen. We ratelden ze dan met onze stenguns en onze pistolen tot moes.
Mijn pistool lag altijd geladen in mijn kamer. Als er dan meisjes bij mij waren liet ik ze
ermee spelen. Net als ze dan de trekker wilden overhalen zei ik achteloos lachend: 'Pas
op, het is geladen'. Dan moesten ze altijd vreselijk lachen en ze geloofden het nooit. Ik
pakte het dan net op het kritieke ogenblik uit hun handen en loste rap een paar schoten in
het bed. Dan gingen ze meestal huilen. Want het gaf een erg gemene, scherpe knal. Later
merkte ik dat de kogels dwars door het bed gingen, door de vloer en het plafond van de
kamer beneden mij dat ervan openbarstte. Vaak maakten ze daar dan nog gaten in de muur
ook. Het was de kamer van mijn broer die in Zuid-Amerika zat. Toen hij najaren eens thuis
kwam werd de kamer gelucht. Toen bleek dat overal kalk lag en scherven en er waren
kogelgaten in de muur.
Onze knecht heeft later, toen ik in Engeland woonde, mijn sten-gun en mijn FN-pistool 's
nachts over de schutting van de Palm Kazerne in Bussum gegooid (waar we later zijn gaan
wonen). Ik heb nooit gehoord hoe dat afgelopen is. Welke jongen daar weer een douw voor
gekregen heeft toen de militairen het vonden? We gingen soms ook met het genootschap uit
stelen. Liefst iets spectaculairs. Zoals die keer toen we de zinken pauwestaarten van de
kantelen van het trotse Wassenaarse Raadhuis afbraken (het was een Paleis van Willem III
geweest).
We waren bij die kraak als.Zwarte Pieten vermomd en deden het op Sinterklaasavond,
zodat niemand het gek zou vinden als we daar op het dak rondliepen, midden in de nacht, en
later met een volgeladen bakfiets door het nachtelijk duister reden. Het was eigenlijk een
represaille tegen de toenmalige burgemeester. Die had toespelingen gemaakt op 'zekere
Wassenaarse toestanden'. M. B. noemde dat kraakje dan ook 'Operatie Burgemeestertje
beknorren'. De Gemeentepolitie heeft toen een jaar op z'n kop gestaan om de daders te
vinden. Toen ze het hadden opgegeven kreeg een nieuw lid de opdracht om met de hele vracht
naar het politiebureau te gaan om toestemming te vragen het zaakje te verkopen. Dat gaf
toen een hele opschudding. Maar al rap begreep men dat het uiteindelijk toch een
doofpotkwestie zou worden (werd het ook). Wij kwamen uiteindelijk uit de betere families.
Toch wel prettig. De plezierigste grapjes, waar de club voor opgericht was, waren de
feesten. Deze werden altijd gehouden als de ouders van één der leden minstens 2 dagen
meer dan 200 km van huis waren. Dat kwam natuurlijk regelmatig voor.
Bij alle feesten werd dezelfde procedure gevolgd. We belden om een uur of tien, vlak voor
het 'démasqué', de ouders op voor-controle. Als ze dan op het punt o + 200 km waren,
volgde het 'démasqué'. Alle lichten in huis werden uitgedraaid. De deuren gingen op
slot. Iedereen ging naar de grootste, meest afgelegen kamer. Deze ging ook op slot. Het
was dan stikdonker. In het pikkedonker dansten we op wilde muziek waar we helemaal
uitzinnig van raakten. Beetje bij beetje gooiden we onze kleren uit, iedere keer als de
muziek stopte moest je wat uitdoen.
Uiteindelijk had niemand meer wat aan en dansten we zo als bezetenen door elkaar. Meestal
waren alle leden dan wel aanwezig zodat het een drukke boel was. Met veel gedrang. Het
leuke was dat je eerst niks zag, wat vaak verwarring, maar wel leuke verwarring, gaf bij
de partnerkeuze. De reden voor de strenge keuring voor het lidmaatschap lijkt mij hiermee
wel voldoende verklaard. Na ongeveer 5 minuten in het donker ging je dan ineens vormen
onderscheiden. Als je een half uur in het donker gedanst had, zag je bijna zo goed als met
flauw licht en raakte je aan elkaar gewend. Dan gingen overal de open haarden aan en
verspreidde er zich een rode gloed over onze naakte lichamen. In de zomer, als het te warm
was voor haarden, deden we het met kaarslicht.
Het was een geluk dat onze voorzitter zo verstandig was geweest de keuring in te stellen
voor het lidmaatschap. Alleen de mooiste scholieren kwamen zo op de feestjes. Een minder
mooi lichaam kan op zo'n feest, waar alles naakt door elkaar krioelt en tegen elkaar op
danst, alles bederven. Wij maakten ook onze eigen drank. Gewoon met 96 % alcohol uit de
apotheek. Een beetje water en een paar druppeltjes glycerine. Daarna een of andere essence
voor de smaak. De drank werd dan in grote groene flessen gedaan die wij
genootschapsflessen noemden. Het was erg sterk.
Ik zal nooit vergeten dat er op een keer tijdens een feest gebeld werd. Er lagen toen in
de hall al wat mensen. Maar er was nog geen démasqué geweest. De bezoeker was een
buurman uit een naburige villa. Hij was op het lawaai afgekomen. Het was een kale, dikkige
man met een grijsgroen gezicht en een grijs pak. Ik zal nooit de blik van afschuw en
verbijstering vergeten waarmee hij dof naar binnen staarde. Alsof hij het niet helemaal
geloofde. J. B. (I 5 jaar) stond met een groene fles tegen de muur gezakt. Er zat
natuurlijk geen etiket op de fles. De blik van de kale dikkige man vestigde zich
uiteindelijk op J. B. Z'n vader was deken van de advocaten van een grote stad in de buurt.
Toen bracht de man met een soort zucht uit: 'Geef mij die fles'.
J. B. gooide hem lallend de fles toe die de dikke man natuurlijk niet goed opving, zodat
hij op de grond uit elkaar spatte. Onmiddellijk verspreidde zich een sterke lucht van
verdampende alcohol. De verbijsterde man moest ervan hoesten. J. B. waggelde erop af en
hield er een lucifer bij. Het goedje vatte met een zachte plof vlam. Het was een blauwe
vlam. De dikke man keek er naar als een vis. Toen keek hij nog even op een iets
verdrietige manier rond en draaide zich om. Na met twee passen de stoep afgedaan te hebben
keek hij nog een keer om en maakte een vreemd geluid. Een soort snik. Toen strompelde hij
weg.
De grote liefde van mijn jeugd - en misschien van mijn leven, is het ooit anders? -
werd Liesbeth.
Liesbeth was zonder twijfel het mooiste meisje van de school, daar was iedereen het over
eens. Mijn eerste schooldag was Liesbeth mij al opgevallen. Ze zat toen in de derde klas.
Een lang slank kind, de vrouwelijke vormen waren duidelijk ontwikkeld hoewel ze pas 16
was. Ze deed het meeste denken aan een Skandinavische, lichtblond, een koele huid, welke
zijdeachtig aanvoelde, een scherp profiel met grote blauwe ogen en een zachte sensuele
mond. Lang had ik over dit kind gedroomd, fantasieën gehad, voor wij het eerst in kontakt
met elkaar kwamen. Dat was toen ze mij keurde, een vreemde eerste ontmoeting. Goed
herinner ik mij hoe haar aanraking mij helemaal duizelig maakte en dat ik alles om mij
heen kon vergeten, hoe ik diep de honingachtige lucht inademde van haar haar, toen ze over
mij heen gebogen stond. Op mijn eerste clubfeest waren wij direkt bij elkaar gekomen. Ik
had gehoord hoe het meisje gevochten had om mij te mogen keuren, wat mij zelfvertrouwen
gaf. Ik bleef steeds bij haar, wist dat zij dit ook zo wilde. In het grote huis van Gerard
v. d. H. waren in verschillende kamers 'vogelnestjes' gemaakt, van matrassen en dekens uit
de logeerkamers. Voor het démasqué hadden wij al een nestje opgezocht in een klein
studeervertrek waar een open haardje brandde.
Hier was het dat ik mij wreekte voor wat eerder gebeurd was. Nog zie ik de angst in
Liesbeths ogen toen ze mij zag, nu de kracht in mijn lichaamsdeel was gestroomd. 'Je bent
ook zo'n lange jongen', fluisterde ze. 'Ik had het kunnen weten.' Hoewel het meisje reeds
eerder geproefd had van het grootste geluk was er nog weinig ruimte. Nadat wij elkaar
hadden uitgekleed speelde ik daarom eerst een tijdje met haar, zodat ze haast uitzinnig
raakte van ongeduld. Toch werd ze, toen het zover was, angstig. Uiteindelijk moest ik plat
liggen zodat het haast maagdelijke kind zich op mij kon laten zakken. Zo kon zij het zelf
regelen en wachten als de pijn te groot werd. Maar plotseling, toen wij pas op de helft
waren en ze bleek was van pijn, duwde ik met een snel gebaar haar handen weg. Hierop had
ze gesteund toen ze zich liet zakken. Nu viel ze met haar volle gewicht op mijn lichaam
dat meteen volledig begraven was in hetjonge weefsel van het meisje. Beiden schreeuwden
wij van pijn, maar ik hield haar strak op mij zodat ze zich niet los kon wringen. Seconden
later hadden wij gelijktijdig in een roes van pijn en geluk al ons hoogtepunt. Zo lang
hadden wij naar elkaar gesmacht dat het brandend verlangen geen uitstel meer duldde. We
hebben ons die nacht volledig uitgeleefd. Meteen zag ik in, dat iets dat zo ontzettend
fijn was nooit slecht kon zijn. Veel later pas ging ik iets meer begrijpen van de
achtergronden van het taboe. Een van die dingen die van die tijd af niet zo goed meer
gingen, was m'n werk op school. Want als je jezelf eenmaal volledig uitgeleefd hebt wil je
alleen dat nog maar.
Mijn verhouding met Liesbeth was zo heftig dat hij wel in een drama moest eindigen. We
hielden zoveel van elkaar, met zoveel passie, dat de emoties te groot bleken om door
mensen, zo jong als wij nog waren goed te worden bestuurd. Uiteindelijk was het de
jaloezie die onze verhouding vernietigde. Liesbeth had een grote aanhang, maar ikzelf had
ook veel aanbidsters in de klas. En wij zaten in verschillende klassen. Ik was al jaloers
als ik Liesbeth maar met een ander zag praten, dan strafte ik haar door zelf wat verder te
gaan. Zo bleven wij elkaar op het laatst eindeloos opvoeren tot uiteindelijk op een
feestje het einde kwam. Om het spel tot het uiterste door te voeren waren we achteloos
over vreemdgaan gaan praten, waarbij we beiden onverschillig deden, inwendig door
hartstocht verteerd. Steeds ging de één weer een stapje verder dan de ander, totdat we
uiteindelijk afspraken voor die avond met Henk en Monica te switchen. We zaten later in
kamertjes naast elkaar en de muur was niet dik, de geluiden drongen door. Ik kon niets met
Monica, hoewel ze beeldschoon was en later hoorde ik dat Liesbeth hetzelfde had gehad.
Henk vertelde mij dat ze gespannen en droog was geweest, hetgeen bij Liesbeth maar één
ding kon betekenen. Toch had Henk z'n zin gekregen. Hij was er de jongen niet naar
complicaties te herkennen als hij in een van z'n roezen was. Ik heb alles die avond
gehoord.
Voor mij was de liefde toen kapot. Ik kon de gedachte dat zij van een ander was geweest,
niet verwerken als ik haar zag, zodat er meteen een einde aan kwam. Ook hoopte ik haar zo
te straffen voor iets waarvan de schuld bij ons beiden lag. Maar een verhouding op z'n
hoogtepunt beëindigen maaktje plotselingjaren ouder. Ik leefde maanden in een apatische
toestand en zakte bijna voor mijn eindexamen. Thuis had ik door mijn slechte
schoolresultaten en onbegrepen gedrag ruzie gekregen, zodat ik na mijn eindexamen de
ouderlijke woning vaarwel zei en met een paar honderd gulden m"n grote I'lftij
tochten door Europa en Afrika begon. Ik leerde de wereld en de mensen weer van een andere
kant kennen, sliep in schuilkelders, jeugdherbergen en veel onder de blote hemel, maar ook
wel in dure hotels, als ik uitgenodigd werd. Op deze reizen, waar ik veel alleen was,
besloot ik nooit meer iets in mijn leven te doen waar ik geen zin in had en te leven van
dag op dag, zonder getut over toekomst en een carrière.
Toen ik genoeg van het zwerven begon te krijgen, besloot te gaan varen. e zee jeugddromen
geweest. Zodoende.
De school heette de Machinistenschool en was gevestigd in de.Technische School in Middelburg aan het Singel. We kregen les in motoren, turbines, stoommachines, stoomketels, hulpwerktuigen, mechanica, goniometrie, meetkunde, stercometrie, natuurkunde, algebra, rekenen, vaktekenen, bankwerken, smeden, lassen, montage, Engels, Nederlands enzovoort. Het was een oud donker gebouw, hoge lokalen, drie verdiepingen, verschrikkelijk luguber, er hing een steriele, muffe sfeer maar we hadden veel gein. Bij het smeden staken we de boel in brand, verstopten rotjes in de steenkool zodat de grote vuren van duizenden graden Celcius uit elkaar spatten naar alle kanten; de leraar, een grote vierkante Twentse smid, werd dan wit heet en slingerde de grote voorhamer driftig de klas in; als hij je raakte was je drie dagen be. niet verder vertellen. We werden in de stad ingekwartierd bij burgers; we waren de schrik vanMiddelburg.
Na een jaar krijg je je VD dan een jaar varen, memorial inleveren en je krijgt je
diploma A voor HWTK op schepen tot 500 BRT; dan ga je verden voor A, voor HWTK op schepen
tot 1200 BRT,- de theorie is 6 maanden, dan 2 jaar varen, daarna ga je verder voor B voor
HWTK tot 5ooo BRT, daarna weer een paar jaar op zee voor je C, dan ben je HWTK op alle
schepen. Mijn eerste reis was op de 'Aries', we hadden een 850 pk 6cylinder 4-tact
werkspoor, direkt omkeerbaar, verder twee 2-cylinder 4-tact Lister-motoren als hulpmotor,
die je met de hand kon starten (de grote werd op lucht van 20-3o atmosfeer gestart). De
hulpmotoren gebruikten wij om de compressor te drijven. Die zorgde voor de startlucht van
de hoofdmotor (aanzet-luchtvaten), om de dynamo aan te drijven, de pompen om de
ballasttanks vol of leeg te pompen of de Bilges leeg te pompen en nog een heleboel andere
dingen. Ik voelde me op de grote reizen in deze prachtige machinekamer gelukkig, de lucht
van zuivere olie de werkend mechanisme, de kameraadschap, voor het eerst het gevoel van
verantwoordelijkheid te hebben voor kostbaar materiaal en mensen, evenzovele zaken die mij
Wassenaar en Liesbeth hielpen vergeten. Het was een prachtig schip, goed in de verf, een
officiersmes, een manschappenmess, mooie hutten met douchecellen, centrale verwarming, op
de brug hadden we radar, decca, een volledige sperry zend-ontvang installatie, echolood,
een knop waarmee je het hele schip kon vernietigen voor als de vijand kwam; op de brug
werd ook de kat met de zeven staarten bewaard en de wapens voor muiterij, verder was er
een toiletje. De bemanning bestond uit i i koppen, de kapitein, de eerste stuur, de tweede
stuur, de meester (HWT), de 2e machinist (dat was ik), de kok, de koksmaat, 2 matrozen,
een matroos OG en de lichtmatroos (die mocht je slaan) - We liepen zes uur op, zes uur a
de hondewacht de voormiddagwacht, de achtermiddagwacht en de platvoetwacht, om tien uur
was het blaasje prikken en om drie uur pikheet, in het stuurhuis. De eerste reis was in
het begin wel rot; ik stond in de machinekamer steeds in m'n eigen kots die zich met de
olie op de grond vermengde en waar ik in uitglibberde, en dan moest je weer opnieuw kotsen
en zo was het een eindeloze cyclus. Ik hoopte maar steeds dat het schip op een stille plek
zou stoppen, dat ik rustig over boord kon gaan. Maar dat gebeurde niet. We gingen in
ballast naar Cork, vanuit Amsterdam, een trip van 3 dagen, daar laadden we met eigen
winches (waar ik de verantwoordelijkheid voor had) aardappelen voor Par (Cornwall); het
laden duurt drie dagen, dan anderhalve dag naar Par, het lossen (ook met eigen winches)
duurt 2 dagen, daarna laadden we een gestorte lading Chinaklei voor Stockholm waar we via
het Kieler-kanaal in 7 dagen naar toe voeren.
Dan leeg naar Oelou in Finland (Botnische golf) waar we een week laadden met eigen
winches; we namen een lading hout in (die door vrouwen gestuwd werd, mannen bedienden de
winches), deze lading was bestemd voor Zaandam. Toen was de reis rond.
Dit was zo ongeveer een standaardreis. Zo ben ik met coasters naar West-Afrika, de
Middellandse Zee, de Zwarte Zee, de Adriatische Zee, de lerse Zee en de Noordzee geweest
en heb dus wel de zeven zeeën bevaren. Meestal voer ik op coasters, omdat ik daar eerste
machinist op kon zijn (de Chief), maar op een coaster varen wil niet zeggen dat je alleen
maar dicht bij huis blijft, al heet het dan kustvaart. Coasters zijn per definitie
zeeschepen tot 5oo bruto register ton, schepen van de 'kleine handelsvaart'.
Oorspronkelijk is deze kustvaart voortgekomen uit de vaart met de turfschepen in Drente en
Groningen.
Deze schepen voeren met hun schipper-eigenaar in de . aren na de Eerste Wereldoorlog, toen
de vrachtprijzen voor turf zo laag waren dat de explotatie onmogelijk werd, ook de
Waddenzee op met andere vracht. Vanuit de Waddenzee waagden de schippers zich met hun
schepen van soms nog geen 8o ton de Duitse Bocht in en later ook naar de Westkust van
Denemarken; nog later voeren ze naar Engeland, houten schepen met wind als voortstuwing,
schippers die hun hele leven op de binnenwateren hadden gezeten. De hele familie ging mee
aan boord. Op binnenvaartschepen die nu plotseling zeewaardig moesten zijn. Geleidelijk
kwamen er in deze schepen hulpmotoren, meestal Brons, een Gronings merk dat nu ook nog een
van dé motoren is op de kustvaart. Ik heb nog eens met een schipper gevaren die onder die
omstandigheden de zeeën bezeild had en er zijn hele familie bi had verloren. Het schip
was zo'n houten, onzeewaardig bootje met een zeil erop, hij zou er mee naar Benghazi varen
in het vooruitzicht van goede winst op een vracht uit Delfzijl. Bij Biskaje was het
stormen begonnen maar de mannen hadden doorgevochten met het kleine binnenvaartschip. Het
geld was op en de angst het schip, dat reeds een mensenleven mee was gegaan, te moeten
verkopen (de prijzen waren toen laag), had hun kracht gegeven. Biskaje werd overleefd (het
zeemansgraf), maar bij Gibraltar, de straat, had het getij hen verrast, met de naweeën
van het tempeest. Toen waren ze tegen de rotsen gesmakt. De kinderen waren het eerst
gegaan, gegrepen door een grote gol£ De moeder was hen gillend gevolgd, in het ziedend
sop, trachtend de kleinen te koesteren. Toen waren zij tussen de rots en het rammende
schip gekomen, door de massa's allen geplet, verbrijzeld tot pulp. Sinds die tijd had de
schipper met zijn oog getrokken. Wel was hij blijven varen (als hulp op een ander schip),
het enige werk dat hij verstond. Maar de zee bleef zijn eeuwige vijand. Hij was een man
die lang over de einder kon staren met een blik vol haat.
Pas in 1930 werden de zeilen volledig vervangen door een machine. Er ontwikkelde zich nu
ook een speciaal type schip voor de kustvaart, de wetten op de zeevaart werden aangevuld,
diploma's vereist. Voor het dek werd het een diploma stuurman kleine handelsvaart; wilde
een stuurman kapitein worden dan had hij een aanvulling stuurman kleine handelsvaart
nodig. De machinist kreeg het diploma machinist kleine handelsvaart. Er werd nu ook
afgebakend waar een coaster ophield een coaster te zijn, nl. bij 499,999
bruto-registerton. Daarna werd het een schip van de grote vaart. je verdiende op de kleine
handelsvaart wat minder dan op de grote vaart maar toch werd er goed betaald. Het was mijn
eerste eigen verdiende geld in een wereld waar ik steeds geld in overvloed had gehad. De
gages werden volgens c. a.o. bepaald. je salaris loopt op als je de Straat van Gibraltar
passeert (met 20 %), passeer je Casablanca op weg naar de Zuid, naar bijvoorbeeld Dakar of
nog verder, naar de Golf van Mexico, dan kwam je in de 'B'-zône. Deze staat praktisch
gelijk met de grote vaart. Ik verdiende als tweede machinist op het ms 'Mare Librum'
inclusief overwerk veertienhonderd gulden per maand, voor een jonge jongen van nog geen
twintig was dat niet gek. Hier was dan ongeveer driehonderdvijftig gulden overwerk bij,
een eerste machinist kwam al gauw op achttienhonderd gulden.
Maar het was logisch dat wij veel verdienden, meer dan de burgers aan de wal. De
scheepvaart is soms niet zonder gevaren. Ik maakte veel stormen mee en aanvaringen in de
mist.
Met de 'Patria' werden we bijvoorbeeld op de Schotse kust geworpen.
Eerst was er een stilte geweest midden op de dag was het donker geworden, een geelgroen
duisternis zoals ik nog nooit had gezien. De bemanning had gezwegen, de ouderen kenden de
voorboden en hun angst sloeg op ons over. De barometer zakte tot ongekende diepte, het
leek of wij in een vacuum dreven, om ons heen stapelden de luchtmassa's zich op, vreemde
stilte. Toen zagen we in de verte de wolk, een lange, ronde donkere wolk die de hele
horizon vulde, erachter was inktzwarte duisternis. Hij leek stil te hangen maar wij wisten
dat hij nader kwam, want hij groeide. Toen de ouwe hem zag leek er een matheid over zijn
gezicht te vallen. Het gelaat, door weer getekend, was zo met de natuur verbonden geweest
dat de ouderdom onherkenbaar bleef. Maar nu verried het zijn jaren, de twijfel van een
wezen dat plotseling beseft hoe zijn levensavond nadert, en dat de taak te zwaar voor hem
wordt.
Toen was het eerste, zachte windje gekomen, de natuur speelde kat en muis met ons, liet
proeven van wat komen ging. Nerveus kwamen de eerste rimpels op het water, vreemde kleine
witte piekjes, die je anders zo niet zag, de zwarte zee leek af te wachten, kracht te
verzamelen voor het gevecht met storm. Dan, plotseling nog, sloeg de eerste windvlaag toe.
Het was alsof men uit de beslotenheid van een winterse woning de natuur in stapte zoals
zij eeuwen de vlakten had geteisterd, tijd en vooruitgang vielen weg. Snel volgden de
vlagen elkaar op, de zee die nog even vlak had geleken nam nu dreigende vormen aan, golven
groeiden, werden zwarte dreigende massa's als steenkoolbergen in een mijnstreek, het
lawaai maakte spreken onmogelijk, statische ontladingen scheurden ons gehoor,
bliksemballen sprongen van de masttop op dek, rolden, stuiterden op ijzer. Het schip leek
stil te liggen, onbestuurbaar. Toen zagen wij de kust. Plotseling, vlakbij. De ouwe stond
zelf achter het rad, streed de strijd van zijn leven, er was een onvermoede kracht in hem.
Lang hield hij de 'Patria' van de klippen, maar de wind blies ons naar land in een
ongelijke gevecht, over de afloop kon nu geen twijfel meer zijn waar de kust steeds nader
kwam. Dan, tussen de rotsen, was er de inham, een kleine baai met een strandje. Had de
ouwe dit plekje nog gekend, uit vroeger tijden? Kennis die krachtverlies compenseerde, als
bij velen die nog laat in de strijd zijn? Doelbewust stuurde hij het schip naar het
strandje, de snelheid nam toe omdat de wind nu van achter blies, rotsen flitsten aan
weerskanten voorbij, het achterdek leek uit het water te worden getild, dan zonk het weg,
hing de boeg in de lucht.
Met een vreselijke slag werden wij op het strand geworpen, een aardbeving leek ons door
elkaar te werpen, tafels scheurden van de grond, kasten vielen, glas werd verbrij zeld.
Maar het schip brak niet. Plotseling lag het roerloos, muurvast in de aarde. En de storm
woedde om ons heen. Wij waren er geen deel meer van. De volgende dag en stilte over de
wereld. Kinderen speelden met algen aan de kiel.Schepen waren vergaan maar het leven ging
door.
Toch hield ik van het ruwe zeemansleven, de gevaren op zee, de gevaren aan de wal, al
waren dat andere zaken. In kroegen leerde ik vechten waarbij ik in het begin steeds op m'n
bek geslagen werd of getrapt. Ik was een veel te luxueus jongentje geweest, dat ging er op
mijn reizen gauw a£ De genootschapsorgiën verbleekten bij onze avonturen in havensteden,
vooral de Oosterse, als PortSaïd en Singapore). Dat waren ruige tijden.
In Singapore kon je de hoeren alleen nog met sambal klaar krijgen. Dat moest je er
rijkelijk opsmeren. Dan werden ze gek van het branden en lagen onder je te kronkelen als
levend gevilde aal. Maar als het rubber kapot ging stond je zelf ook meteen in de fik. Dat
was niet zo leuk De Chinezen noemen het Wahlí Chola (de maagden straf).
Alg er bij ons een nieuwe lichtmatroog was moest hij een maagd op die manier benaderen.
Hij wist dan zelf ook niet wat hem overkwam als het spul erop gekwakt werd en hij ging
erin. Dan moest je zo'n gillend stel met vier man op elkaar houden.
Op de 'Saumur' hadden we een meester met handen als kolenschoppen. Daarmee ging hij dan in
een vijf-liter sambalblik (voor de Chinese crew). Hij nam het halve blik mee, kwakte het
op het Tillend vlees.
Ikzelf heb nooit aan Wahlé Chola meegedaan. Maar wel een keer de geluiden uit het ruim
gehoord. Ik lag in mijn hut toen het gebeurde. Dat was in Denemarken. We lagen met het
schip in de haven, een flink eind van de bewoonde wereld. Er was een strandje waar tieners
kampeerden. Enkele van de lichtmatrozen waren bij ze gegaan (pubers nog). Later waren de
kinderen (misschien I 5 jaar ofj onger) mee naar het schip gekomen. Ze droegen strakke
spijkerbroeken (die in het bad gekrompen waren), met truien waarin de vormen al goed
uitkwamen. Ik zag het stel het ruim ingaan. De jongens sloten het a£ Zelf ben ik toen
mijn hut ingegaan, had niets van dit alles gezien. Later zag ik de meester die richting
oplopen.
Het was de zomer van het noordelijk halfrond, als de zon boven de Kreeftskeerkring komt.
De nachten zijn hier dan kort maar zeer zwoel. Want de zon heeft de hele dag de aarde
beschenen. Zo was het ook nu. Mijn hut was slecht geventileerd, de warmte drukkend. Ik kon
mijn aandacht niet bij het boekje houden dat ik aan het lezen was. Uit de ventilator
hoorde ik het gillen. Eerst opgewonden, als bij een spel dat uit de hand liep. Daarna werd
het angstiger: 'Nei! Nei! Mi maaged! Mi maaged!' Dan werd het gesmoord. Betekenisvol er
was een stommelen. Later had het gillen een ander timbre, eerst verbazing, daarna
doodsangst. Toen ik de jongen hoorde schreeuwen wist ik dat het Wahlé Chola was. De
meester had z'n zin gekregen.
De ouwe beukte al gauw op mijn deur, dat ik benedendeks zou gaan, om te zien wat er gedaan
moest worden. Het was een vreemd tafereel. Een van de Deense meisjes was vastgebonden aan
een verwarmingsbuis. De ander lag op de eettafel, de spijkerbroek tot de knie omlaag, het
truitje omhoog. De lichtmatrozen hadden al hun kleren uit. Eén, de nieuwe, werd op het
kind gehouden door de meester en de andere twee, zodat beiden niet los konden. Wanhopig
deinden de billen van de lange magere blonde jongen. Benen spartelden. Er was geen vreugde
hier. Nooit vergeet ik hoe de broek van het Deense kind zo vochtig was, hij dreef van het
grijze vocht van hen die waren geweest.
Wij hielden het meisje en ook de jongen onder de koude douche, zodat het bloed, de sambal
en ook het vele grijze slijm wegspoelden. Aarzelend keerde het bewustzijn weer. Er was een
verbitterd huilen. De broeken wasten we ook.
Ik bracht ze met de eerste in een taxi snel naar huis. Ze woonden in een grote villa met
een uitgestrekt grasveld. De kinderen moesten lang lopen(een strompelen meer) voordat ze
bij de deur waren. Bij het schip waren de trossen reeds losgegooid.
Zo is de zeevaart ook.
Later kwam ik met een ander schip, de 'Hunze', in Southampton. Ik had ruzie met de ouwe
gehad en besloot te drossen. Ik was platzak en liftte meteen door naar Londen waar ik 's
nachts aankwam. Alle hotels waren dicht. Ik kon alleen nog in een Turks bad overnachten
vertelde een bobby. Voor een pond had ik een brits tot de volgende dag 10 uur. Het was in
Jermin Street, bij Piccadilly. Allemaal flikkers. Oude mannetjes die elkaar afzogen, soms
met een heel stel bij elkaar. je werd er beroerd van. Net een hel. Het eindpunt van een
eenzaam mensenleven. Iedereen was nat en transpireerde in de hete stoom, waardoor alles
iets spookachtigs kreeg. Later kwamen twee dienstplichtige militairen binnen. Ze waren
strontlazarus, hadden zeker ook geen onderdak. De oude mannetjes raakten door het dolle
heen, vergrepen zich op alle mogelijke manieren aan de wezenloze knapen. Dan moet je toch
wel behoorlijk zat zijn. De volgende dag merkte ik dat de oude mannetjes hele nette pakken
en bolhoedjes droegen. Ze gingen naar de City. Dat was eens maar nooit weer.
Bij Lyons' Corner House op Leicester Square kon ik borden wassen tot ik weer wat geld had.
In de keuken at ik whympies tot ik er ziek van werd. 's Nachts sliep ik bij het Leger des
Heils in Westminster, voor 7/6 bed and breakfast (porridge), op grote zalen, er lagen
landlopers, trekkende scholieren en studenten, een jofele boel. Maar na een week moest je
weg. Toen kwam ik via een raamadvertentie in Euston, de arme buurt. Voor !!! shilling per
nacht had ik een brits, zes man in een kamertje van drie bij drie (boven elkaar
gestapeld). Het waren allemaal mensen uit India, niemand werkte, de eigenaar, (ook uit
India) had het huis gekocht en exploiteerde z'n landgenoten op die manier. Deed er verder
niks aan. Het was net een kampong, overal vuil en stank, er woonden wel honderd mensen. je
kon wel zien datje in de Commonwealth was.
Ik bleef een week en verhuisde toen rap naar elders. In Fulham Road was een artiestenhuis
waar ik een brits kon krijgen voor 7 shilling. Allemaal jonge mensen die aan kunst deden,
art students. Ze namen geen kleurlingen want die stonken. De meisjes waren heerlijke
schizoïde poezen die je fijn kon naaien. Hier hield ik het langer uit, leerde ook voor
het eerst goed met weed werken. Na een maand vertrok ik weer naar Nederland, nog steeds
platzak.
In Lancaster-Gate tube station kon je via het toilet op de Circle Line komen, zonder kaartje. Dat was het enige station wat ik kende waar dat kon. Dan ging ik met de tube tot de buitenwijken van Londen tot waar ik over kon stappen rechtstreeks op de trein naar Southend. Je bleef steeds op de perrons, zodat nergens controle was. In de trein naar Southend was ook nooit controle, het waren aparte coupees, zonder doorgang ertussen. Dan slipte ik in Rochefort van het station. Op het vliegveld van Southend verstopte ik mij in een auto die op de .car ferry ging en kwam zo op het vasteland. Dan liftte ik naar huis. Deze route had ik van een Amerikaanse student bij het Leger des Heils gekregen. Het werkte prima. Later zou ik in Londen terug komen. Maar dan zou ik zorgen dat het anders was.
Ik werd een merkwaardig tweeslachtig wezen, enerzijds de wereldse, verfijnde
salonjonker, anderzijds de ruige zeebonk, het was of ik een dubbel leven leidde. Als ik
dan een tijdje in Wassenaar weer in luxe geleefd had, verlangde ik toch weer naar zee. Ze
deden van alles om mij thuis te houden maar ik was te zelfstandig geworden. Ik verlangde
weer naar het ruige zeemansleven, de woeste baren, de havens met de zeemanskroegen, de
lucht van olie in mijn machinekamer, de kameraadschap en de ongecompliceerde, harde, pure
seksualiteit in de havensteden en op de schepen als wij onze duifjes 'het schip lieten
zien'. Hoewel ik soms verlangde naar een meer blijvende relatie verdrong ik dat gevoel
steeds snel en prefereerde korte contacten in de havensteden met het onvermijdelijk
afscheid maar ook de herwonnen vrijheid, het eigen meester zijn over een leven waar je
niet direkt met een ander hoefde te rekenen bij het uitstippelen van een koers. Maar de
ambivalentie werd bij iedere reis groter. Op zee werd mijn verlangen naar een stabieler
bestaan op de wal met een vaste verhouding steeds sterker, maar op de wal was het
andersom, je werd heen en weer geslingerd.
Op een goede dag ging ik weer naar Rotterdam. Maar het bleek dat het hier nu wat
moeilijker ging. Ze hadden gehoord van die bonje met die ouwe op de 'Hunze' en er werden
vragen gesteld. Ik werd driftig, sloeg een ambtenaar met een hard voorwerp op het zachte
vlees van de mond, korte ritmische slagen. Vruchteloos probeerde hi . brabbelgeluidjes te
maken, trillende handen tastten naar het pulp dat eerst lippen waren, verbrijzelde tanden.
Met een droge snik zakte hij langzaam op de grond.
s Avonds werd ik thuis bezocht door mannen in regenjassen met deukhoeden. Het zou er
moeilijk voor mij uit gaan zien, tenzij ik mee wilde werken aan een onderneming waar
'risico aan verbonden was'. Spoedig bleek mij dat het hier ging om het maken van foto's in
Russische havens. Ik werd opgeleid in het gebruik van fotoapparatuur, leerde wat de
belangrijkste objecten waren, daarna verzorgde 'de dienst' een schip voor mij dat naar
Mezenj, aan de Witte Zee ging. Ik kreeg een splinternieuwe Hasselblad-camera mee met een
85 cm telelens en een lens om nachtfoto's te maken, alles in een leren tas met rood
pluchen voering, het was een mooi setje, als het aan mij lag zouden ze het nooit terug
zien. De reis werd een succes, ik fotografeerde duikboten, kruisers, haveninstallaties,
radar-lay-outs, marinewerven, allemaal uit de patrijspoort met de telelens. Ze waren
uitzinnig van vreugde over de zeer goed geslaagde foto's (mijn contactmannen waren Van M.
en N.) en ik moest steeds nieuwe reizen maken naar Russische havens, zo kwam ik in Gedynia
(Polen), Klajpeda (Litauen), Archangel (Rusland), Mezenj (Rusland) enzovoort. enzovoort.
Ik merkte nu ook dat vele zeelieden dit soort spionage bedrijven (als je een ruwe zeebonk met olichanden een schitterende professionele camera ziet manipuleren dan weetje het wel). Dit is een van de meest gewone vormen van spionage die door alle landen bedreven wordt (Nederland heeft in dit verband gewoon een NATO-verplichting). Het is voor de oorlogvoering onmisbaar dat men over gegevens van visuele herkenning van het materiaal van de tegenpartij beschikt, het beste zijn dan natuurlijk de foto's van schepen etc. Die worden in grote boeken bijeengebracht zodat je uiteindelijk de silhouetten van de hele vloot van de tegenpartij in één groot boek hebt dat bij ieder oorlogsschip aan boord is. Dit boek moet steeds bijgehouden worden. Als je dan een schip op zee tegenkomt zie je van verre het silhouet, kijkt in je boek en kan dan meteen zien welk schip het is, wat voor kanonnen aan boord zi n, of er raketbewapening is, wat de maximum snelheid is etc. De enige manier om zo'n boek te maken en bij te houden is zo veel mogelijk foto's te verzamelen van mensen die in de betreffende havens komen. Logisch dat vele zeelieden voor dit werk geronseld worden. (In Rusland worden hele vloten speciaal voor dit doel uitgerust).
Toen ik enkele reizen voor de dienst gemaakt had werd ik voor een rondetafelconferentie
ontboden op een groot landhuis. Het lag in een bos, ver van de bewoonde wereld, had een
eigen weg die ernaartoe liep, ik heb nooit precies geweten waar het was omdat ik in
Amsterdam door Van M. in een geblindeerde auto werd opgehaald en de buitenwereld pas weer
zag toen we vlak voor de voordeur stonden. Tijdens de rit vertelde Van M. mij dat ze in
Parijs erg tevreden over mijn werk waren geweest en dat het in de bedoeling lag dat ik een
officiersopleiding zou krijgen. Hiervoor was het nodig dat ik eerst met een aantal hogere
chefs zou kennis maken, er zouden mij een aantal persoonlijke vragen gesteld worden, mijn
belangstelling voor een permanente functie bij de dienst zou worden gepolst en hoe ik
erover dacht om eventueel in Rusland te gaan werken als dat nodig was. Toen we
binnenkwamen werd ik in een klein zitkamertje geloodst waar ik moest wachten tot ik zou
worden gehaald.
Het was een kostbaar gemeubileerd kamertje, dure, houten, antieke lambrizering tot aan het
plafond, eiken parket met een kostbare pers erop, verder boekenkasten met antiquarische
boeken; ik zag verder de hele uitgave van het Nederlands Patriciaat en de volledige
Almanac de Gotha, het verdere meubilair zei mi niet erg veel behalve dat ik vermoedde dat
het zeer oud antiek was, er was een open haardje dat zachtjes brandde. Na een minuut of
tien werd ik door Van M. gehaald, door een grote hall met veel houtwerk liepen we naar een
zaal van een kamer waar in een van de hoeken een langwerpige notenhouten tafel stond met
grote rechte stoelen eromheen. Het grootste deel van de kamer was donker, alleen brandde
ook hier een open haardje die enig licht gaf, bij één van de stoelen stond een
bureaulamp die helemaal niet in het interieur paste, zo'n soort datje op een eenvoudig
boekhouderskantoortje verwacht; ik moest gaan zitten op de stoel waar de bureaulamp stond
en merkte meteen dat het licht zo viel dat het hinderlijk in mijn gezicht scheen, terwijl
de ruimte erachter, waar de anderen straks zouden gaan zitten, voor mij bijna onzichtbaar
was geworden.
Toen ik er een paar minuten zat, kwamen de heren binnen, gingen op de andere stoelen
zitten, het waren er 5, er werd helemaal niet gesproken, de man die recht tegenover mij
zat had een bundel papieren in zijn hand waar hij nu doorheen begon te bladeren, dat
duurde wel io minuten, soms had ik de indruk dat hij mij even vanuit het donker aankeek,
maar ik kon dat natuurlijk niet zo goed zien. Het begon mij eigenlijk een beetje te
vervelen, uiteindelijk beschouwde ik de hele vertoning nog altijd als een grapje en ik
begon dat licht onaangenaam te vinden; plotseling draaide ik de bureaulamp om zodat het
volle licht in het gezicht van de man tegenover mij scheen, er was merkwaardig genoeg geen
enkele reactie, van niemand, de man keek mij strak aan, volkomen uitdrukkingsloos, het was
een beetje een sjofele man, zoals je op een groot regeringsbureau verwacht, een duf,
uitdrukkingsloos gezicht, na een tiental seconden ging de hand van de man langzaam naar
voren (er was een lichte tremor), naar het lampvoetje; op de voetplaat zat een knopje waar
hij nu op drukte, de lamp ging uit, we zaten nu vrijwel in het donker. Toen knikte de man
naar Van M. met een hoofdgebaar van 'breng hem maar weg', Van M. sprong op, maakte nu
datzelfde gebaar tegen mij, ik volgde hem en werd in het kleine kamertje gebracht.
Onderweg dacht ik dat hij glimlachte.
Nadat ik mij een uur verveeld had kwam Van M. weer binnen, ging zitten achter het
bureautje. Nu volgde een langdurig gesprek, het kwam erop neer dat ik als ik wilde een
officiersopleiding kon krijgen, ik moest me dan verbinden 8 jaar voor de dienst te werken,
de opleidingsperioden zouden onregelmatig zijn en mogelijk door perioden van praktisch
werk worden afgewisseld, ik zou een duikersopleiding krijgen, een parachutistenopleiding
en een vliegeropleiding; eerst twee maanden een algemene opleiding voor het gebruik van
verschillende soorten vuurwapens en explosieven, ongewapend gevecht, silent killing
enzovoort. Ik zou vrijgesteld worden van dienstplicht en na mijn periode van 8 jaar de
rang hebben van reserve-kapitein bij de inlichtingendienst van het eerste legerkorps. Mijn
salaris zou zeer verschillend zijn en overeenkomen met het salaris dat normaal uitgekeerd
werd voor de werkzaamheden die ik voor de buitenwereld verrichtte. Als ik dus als
machinist werkte kreeg ik een machinistensalaris, gewoon door de maatschappij waar ik dan
voor werkte uit te keren, als ik als vlieger werkte een vliegersalaris. Mijn enige contact
met de dienst zou zijn dat zij steeds voor de banen zorgden en dat ik opdrachten moest
uitvoeren die zij mij gaven; ik zou over de hele wereld geplaatst kunnen worden, als ik
opdrachten zou weigeren, zou de dienst ervoor zorgen dat ik nooit meer ergens werk zou
kunnen krijgen. Bovendien werd ik dan aansprakelijk gesteld voor de kosten van mijn
opleiding, een bedrag van f 100.000, waar ik een schuldbekentenis voor moest tekenen;
ieder jaar dat ik voor de dienst werkte zou er 10 % afgaan en na 8 jaar zou de rest worden
kwijtgescholden en ik zou een bonus krijgen van f 15.000.
Mijn opleidingen zou ik op volledig particuliere basis moeten volgen bij de door de dienst
aan te wijzen burgerlijke instellingen, ik zou daar dan onder een aangenomen naam (steeds
een andere, uit overwegingen van wat zij 'pattern camouflage' noemden - het patroon der
opleidingen zou karakteristiek zijn voor de spionnenopleiding en moest dus gecamoufleerd
worden), me laten inschrijven; voor passende papieren zou steeds worden gezorgd. Ik zou
nooit onder direkte supervisie van de dienst werken, werd helemaal vrijgelaten alles in te
delen zoals dat mij dat het beste uitkwam, alleen als ik intelligence-opdrachten kreeg
moest ik mij er natuurlijk precies aan houden.
Voordat ik definitief zou worden aangenomen moest ik eerst nog uitvoerig medisch worden
gekeurd en psychotechnisch getest. Dit gebeurde op het vlieg-medisch centrum in
Soesterberg, waar ik de volgende dag al meteen (onder een andere naam) naartoe moest; de
keuring en testerij duurden drie dagen, het bleek de gewone vliegerskeuring voor de
luchtmacht te zijn, ik had niet de indruk dat iemand hier wist dat ik bij' een speciale
afdeling hoorde, afgezien van mijn aangenomen naam hadden we hier toch allemaal nummers,
werden alleen bij de nummers genoemd; dat was om de keurders niet onder de indruk te
brengen van mooie namen of rangen zodat ze alleen af zouden gaan op de eigenschappen van
de persoon die ze voor zich hadden.
Nadat ik goedgekeurd was kwam Van M. weer op een avond bij mij en moest ik de papieren
tekenen, dat was !!!
Op een dag verscheen Van M. met een grote groene plunjezak. Hierin bleek een
leger-P.S.U. te zitten, op het uniform zaten de oranje driehoekjes van de
officiersopleiding, een korporaalsstreep en de LUA-distinctieven, het was de bedoeling dat
ik een paar maanden de officiersopleiding van de S.R.O.-LUA zou volgen, in de Kolonel Palm
Kazerne in Bussum. Eerst zou ik twee weken intensief bijgewerkt te worden zodat ik mee kon
komen met een klas die daar al 4 maanden was. Ik leerde in die weken van een Ambonese
sergeant wat een ander in 2 maanden basisopleiding en 4 maanden officiersopleiding leert,
behalve het echte schieten; helemaal uitgeput kwam ik me melden bi de commandant, kapitein
Fokker, ik was zogenaamd overgeplaatst van de S.R.O.I. omdat ik platvoeten had ontwikkeld
door de lange marsen, het ging erin als zoete koek, ook bij de klas waar ik werd
ingedeeld, een hele jofele troep met veel studenten en pas afgestudeerden.
Het bleek mij al spoedig dat ik toch wel heel wat minder wist dan de anderen maar gelukkig
waren de wachtrneester-examens pas over twee maanden; tegen die tijd zou ik wel weer
overgeplaatst worden, alleen met excercitie was het wel vervelend omdat ik al de
commando's nog niet zo goed kende, dus dan reageerde ik steeds wat later, wat tot heel wat
vloekpartijen aanleiding gaf.
In deze periode ging ik twee weken naar de Harskamp waar ik met vele soorten vuurwapens
schoot, mitrailleur, bren, sten, pistolen, de gerand, de bazooka (in ons onvolprezen
moedertaaltje de 'brisant-anti-tank-granaat-raket'), ik leerde plastic bommen maken,
mijnen en booby traps maken en onklaar maken, kreeg de vuurdoop op de gevechtsbaan waar ze
met scherp op je schieten (mitrailleurs) en om je heen overal bommen ontploffen, we gingen
op bivak bij Breda (duinen), waar we 's nachts altijd stiekum het kamp verlieten om in
Breda te gaan naaien, één keer stond ik net op het punt om er 's nachts tussenuit te
piepen toen er een alarmoefening kwam. Ik meldde me als eerste bij ons luitenantje (een
kleuter, net van de KMA) want ik stond toch al gekleed buiten (midden in de nacht). Daar
was hij vreselijk van onder de indruk (dat ik er zo vlug bij was) en zo werd ik tot zijn
adjudant benoemd.
De Ford ging overal mee en al spoedig had ik de klas gedresseerd de vervelende werkjes
voor me op te knappen, anders mochten ze niet mee. Zelfs de wachtmeesters en de opper van
onze sectie kwamen binnen afzienbare tijd onder de indruk van de mogelijkheden die mijn
vervoer bood zodat ze spoedig uit mijn hand aten; ik kon zodoende altijd wat later opstaan
en hoefde nooit bang te zijn voor inspectie (als de barak voor inspectie klaargemaakt werd
lag ik op het bed aanwijzingen te geven). In Neerijnen leerde ik hoe je soldaten weer
dicht moest binden als ze opengespat waren aan het front of hoe je half afgescheurde
lichaamsdelen die toch niet (gemakkelijk) meer gered kunnen worden het snelst en
'pijnloos' helemaal af kunt rukken (dat ze niet gaan rotten); datje mensen wier ogen
uitgeschoten zijn vooral moet geruststellen dat er niets aan de hand is, alleen een beetje
bloed waardoor ze niet zien kunnen (anders krijgen ze shock en kunnen ze helemáál
nergens meer voor gebruikt worden), hoe je het beste en snelst lijken kunt verbranden en
waar je het genadeschot moet geven (dat mag alleen een officier). Na Neerijnen was ik een
halve dokter.
Tenslotte volgde ik een kursus op de KMA hoe je artillerievuur moet aanvragen, om dorpen
te vernietigen en het inschieten te leiden. Hiervoor hadden we een groot panorama waar
steeds kleine wolkjes uitkwamen die je dan met je vuurleiding (ga links 300, ga vooruit
2oo enzovoort) zo moest dirigeren tot het eindelijk op je doel was (een school of zo), een
leuk spelletje was dat. Toen mijn twee maanden SRO voorbij waren had ik een heleboel
geleerd; ik kon alle mogelijke vuurwapens bedienen en voelde mij een hele bink. Plotseling
kwam er bericht dat ik overgeplaatst werd naar de vliegeropleiding, ik had het verhaal al
rond moeten strooien dat ik daar al voor gekeurd was, dat had voorrang boven alle andere
takken van dienst en niemand was verbaasd dat ik na twee maanden weer verdween. Maanden
later kreeg ik over de post nog eens een benoeming tot reservekornet, het begin van mijn
loopbaan tot reserve-kapitein was begonnen. In feite ging ik natuurlijk helemaal niet naar
de vliegeropleiding maar naar huis, mijn korte diensttijd was voorlopig achter de rug. Na
enkele dagen kwam Van M. mij vertellen dat ik nu mijn para-training moest gaan volgen;
daar was in Nederland geen opleiding voor maar de dienst had een centrum in Frankrijk, een
burgerinstelling, dit was dus weer een heel andere toer.
Mijn parachutisten opleiding kreeg ik in Bondues, het vliegveldje heette Lille-Marco bij de Franse grens, aan de weg Lille-Menen-Halluin. Mijn instructies waren dat ik, geheel overeenkomstig de pattern-camouflage procedure, zelfstandig, onder aangenomen naam moest inschrijven. Ik kreeg een paspoort op deze naam en ging door voor een Nederlandse student in de medicijnen. Voorzover ik het kon bekijken wist niemand beter of ik was degeen voor wie ik mij uitgaf, hoewel je het in de dienst natuurlijk nooit weet, het was heel goed mogelijk dat de leiding van het centrum ook in het NATO-spel zat.
Ik had van N. een lump sum gekregen (f iooo,-) die meer dan genoeg was voor de hele opleiding, die erg goed was maar toch niet duur. Mijn kameraden daar waren de fijnste jongens die ik ooit heb leren kennen, er is onder para's een heel speciaal soort broederschap. Het was een vrijgevochten bende, zo tussen de I 7 en 25 jaar, meest jongens maar gelukkig ook een paar meisjes. Hoewel de klub strikt gesproken een burgerinstelling was, een klub van Federation Nationale Des Parachutistes Frangais, waren er toch voor het grootste deel militairen, verder veel studenten en ook wel middelbare scholieren, allerlei nationaliteiten door elkaar. Wij betaalden 5 NF per keer voor automatische sprongen, meestal vanaf 500 meter, voor het vrije vallen liepen de prijzen wat hoger omdat we daarbij van groter hoogte sprongen en je betaalde afhankelijk van de hoogte.
Terug naar Books by Haylitt Retief - Vervolg van dit boek (deel 2)
Copyright Haylitt Retief & Evert Reydon ©