ONDERZOEKS PROGRAMMA 1974

Drs Haylitt Retief.

LABORATORIUM VOOR ERGONOMISCHE PSYCHOLOGIE van de gezondheidsorganisatie TNO

INHOUD
INLEIDING	blz

1	Project titel	3
2.1.	Open eind project	3
2.2.	Eigenlijke projecten	3
3.	Doel en thema	4
3.1.	Beschrijving van het,verschijnsel	4
3.1.2.	Probleem waarop het hoofdproject zich richt	5-8
3.1.2.1.Probleem waarop het hoofdproject zich richt nader geexpliciteerd	8 - 10
3.2.	Verwachte eindresultaten van het onderzoek (open eind project)	10
3.2.1.	Nieuwe kennis, publikaties	10
3.2.2.	Nieuwe apparatuur	11
3.2.3.	Mijlpalen	11
4.	Motivering	12
4.1.	Wetenschappelijk belang	12
4.2.	Onderwijs belang	12
4.3.	Maatschappelijkbelang	13
4.4.	Aansluiting op vorig en lopend onderzoek	14
4.5.1.	Apparatuur en ruimte	15
4.5.1.1	Eigenlijke project 1	15
4.5.1.2 Eigenlijke project 2	16
5.	Project leider	16
6.	Looptijd en materleele consekwenties	16
6.1	Eigenlijk project 1	16
6.2.	Eigenlijk project 2	16
6.3.	Kosten	17
7.	Personele inzet	18
7.1.	Eigen activiteit	18
7.2.	Hulpkrachten	19
7.2.1.	Hulpkrachten in dienst van het laboratorium	19
7.2.2.	Studenten	19
7.2.3.	Aan te trekken nieuwe hulpkrachten	20
8.	Samenwerking	21
8.1	Koninklijke marine	21
8.2.	KLM, Rijksluchtvaart school	21
9.	Andere financierings bronnen	22
10.	Uitvoering	22


BIJLAGEN

I	Definities	23-27
II	Voorbeelden van validerings experimenten in	27-31
industriële situaties (BKG)
IIA	Voorbeelden van validerings experimenten in	31-34
praktijk situaties (fysiologische maten)
III	Uitvoering eigenlijk project 1	34-38
IV	Uitvoering eigenlijk project-2	38-40
V	Suggesties voor laboratorium onderzoek	41-43
(eigenlijke project 3)
VI	Litteratuur	43
VII	Appendix	44

INLEIDING

Gezien de muitidiciplinaire samenstelling van de bij het Laboratorium voor Ergonomische Psychologie-TNO betrokken groep functionarissen heeft de schrijver In het hierna volgend onderzoeksprogramma eerst een summiere uiteenzetting gegeven van een aantal methodologische. gezichtspunten welke in de gedragswetenschappen bestaan.
De aangehaalde litteratuur lllustreerd tevens zijn eigen stelling name.
De in de bijlagen gegeven definities zijn soms betrekkelijk uitgebreid en kunnen als een aanvulling van de methodologische tekst worden beschouwd.
De samenhang van het tot nu toe door de schrijver verrichte onderzoek wordt waarschijnlijk inzichtelijker tegen de achtergrond van het methodologische exposé.

Bijlagen.
Teneinde de doelstelling van het voorgestelde onderzoek en de gevolgde methodologie verder toe te lichten zijn in de bij-lagen (summier) een aantal onderzoeks resultaten van voorgaand onderzoek opgenomen.
Litteratuur verwijzingen worden in de tekst gegeven met een getal dat betrekking heeft op de litteratuur -b.v.(l)-.
Verwijzingen naar definities worden voorafgegaan door de letter D -b.v.(Dl)-.
Verwijzingen naar de bijlagen geschied verder met Romeinse letters.
Enkele gedetailleerde onderzoeksconcepten zijn eveneens in de bijlagen gegeven (111, IV). In een APPENDIX Is een concept gegeven van thans lopend onderzoek.

Bij de indeling van dit onderzoek programma is in grote trekken het model gevolgd.van de THD-W.(Delft).
Met name geldt dit voor de.rubricering.


1 . Project titel.
Ontwikkelen en valideren van de resultaten die uit het in het Laboratorium voor Ergonomische Psychologie gedane onderzoek zijn verkregen. (1)

2.1. Open eind project.

Heeft het karakter van een open eind project (Dl).

2.2 Eigenlijke projecten

Voor de realisering van (1) is experimenteel onderzoek verricht dal kan worden beschouwd als eigenlijke projecten.
De methodologie welke aan het verrichte onderzoek ten grondslag ligt is beschreven 'in 3.1.2.
Onderscheid wordt gemaakt tussen toetsings onderzoek en exploratief onderzoek (D3,D4).
Doel en thema

Het L.E.P. onderzoekt de "mentale belasting" voor zowel wat betreft de mens-machine als de mens-mens relatie ( 2).

Centraal staat hierbij de ontwikkeling en validering van maten waarmee deze mentale belasting kan worden gekwantificeerd.
In het laboratirium wordt in dit verband onderzoek verricht met fysiologische maten zoals sinus aritmie en hartfrekwentie en maten gebaseerd op taakuitvoering zoals de Binaire keuze taak,( 2).

3.1. Beschrijving van het verschijnsel.

In het L.E.P. wordt onder mentale belasting die vorm van belasting verstaan waarbij fysieke belasting minimaal is ( 3 ) .
Mentale belasting wordt geacht aanwezig te zijn wanneer een situatie bijvoorbeeld informatie verwerking vereist of verschijnselen bevat als sociale druk, conflict en gevaar (3 ).

Het is van belang te onderkennen dat mentale belasting in de psychologie de betekenis heeft van een constructum ( 4.,D5),zoals ook bijvoorbeeld "intelligentie" een contructum is.
Van de maten welke in het L.E.P. worden gehanteerd voor mentale belasting, wordt verondersteld dat zij behoren tot het domein der observeerbare variabelen ( 5) van het constructum mentale belasting.
Voor het ontwikkelen en valideren van dit soort maten gelden in de wetenschappelijke methodologie duidelijk omschreven technieken. ( 4 , 5 , 6)

3.1.2. Probleem waarop het hoofdproject zich richt.

Aan het ontwikkelen en valideren van maten voor een constructum zijn drie essentiële aspecten te onderscheiden ( 4);

1) Het domein der observeerbare variabelen moet worden gespecificeerd.
Voor het L.E.P. zijn dit bijvoorbeeld fysiologische maten (o.a. sinusaritmie) en taak gerichte maten bijvoorbeeld binaire keuze taak in vrij tempo ( 7)-.

2) Er moet worden bepaald in welke mate deze variabelen correleren of op identieke wijze variëren met experimentele condities.

3) Er moet worden onderzocht in hoeverre variabelen op voorspelbare wijze:
a/ correren met andere constructa
b/ reageren op specifiéke experimentele condities.
(Aspect 3 bepaald in feite of de variabelen zich inderdaad gedragen alsof zij het constructum meten)

De probleemstelling van het hoofdproject heeft met name betrekking op de aspecten 2 en 3b van het hier gestelde.

ONDERZ1.JPG (15670 bytes)

figure 3.1 Effects of five levels of stress on four dependent measures.

In dit hypothetisch voorbeeld wordt het effect van 5 niveau's van "stress" (onafhankelijke variabele) op vier veronderstelde maten van het constructum "Angst" getoond.

De maten A en B zijn monotoon gerelateerd aan de stress niveau's.
Maat C is gerelateerd tot het vierde niveau (meet dus iets dat.niet precies hetzelfde is als wat A en B meten).
Maat D is niet systematisch gerelateerd aan de experimentele condities en meet dus niet het zelfde als de maten A, B en C.

n.a.v. 3b blz. 5.Het reageren op specifieke experimentele condities

Teneinde te bepalen in hoeverre de observeerbare variabelen van een constructum werkelijk samenhangen is een netwerk van experimenten nodig waarbij steeds dezelfde afhankelijke variabelen.worden onderzocht (n.l. de observeerbare variabelen van het constructum). De experimenten moeten verder ook dezelfde onafhankelijke variabele hebben , welke echter per experiment verschillend is geoperationaliseerd.

Het voorbeeld op blz. 6 slaat op één experiment waarbij de onafhankelijke variabele "stress" bijvoorbeeld is geoperationaliseerd door middel van electrische schokken van verschillende intensiteit.

Bij andere experimenten in het netwerk zou "stress" bijvoorbeeld kunnen zijn geoperationaliseerd door middel van angst voor een examen of door middel van gevaarlijke situaties (b.v. parachute springen).
Voor dit type validerende experimenten moet uiteraard een grote mate van zekerheid bestaan dat de niveau's van de onafhankelijke variabele (het criterium) inderdaad in de gepostuleerde volgorde verschillen. Men zou anders slechts het mysterieuze met het onbekende onderzoeken.
Dit is de reden waarom men bij het valideren van maten voor mentale belasting in eerste instantie is aangewezen op extreme condities. Deze zijn in een laboratorium vrijwel niet te creëren.

De deductief specificerende uitwerking (D10) van een algemene theorie of hypothese tot een vertakt systeem van bij elkaar aansluitende, meer specifieke hypothesen en tenslotte voorspellingen noemt men in de oedragswetenschappen de explicitering van die theorie of hypothese (5).

3.1.2.1. Probleem waarop het hoofd project zich richt nader geexpliciteerd.

Gestreefd wordt naar het bijdragen tot de vorming van een nomologisch net (D7 ) met betrekking tot de theorie rond het contructum mentale belasting.

Deze bijdrage zal met name bestaa'n uit het valideren van waarneembare variabelen door middel van experimenten volgens het onder 3.1.2. beschreven model.

Ter illustratie van tot dusver in dit verband verricht onderzoek zijn een aantal grafieken opgenomen (Bijlage II). Binnen het kader van het hoofdproject kunnen deze experimenten worden beschouwd als de eigenlijker projecten.

De belangrijkste eigenlijke projecten welke voor 1974 in dit verband op het programma staan zijn
1. Een toetsings onderzoek bij vliegers . Hierbij zal het effect van verschillende vlucht fasen (op sinusaritmie en hartfrekwentie.-worden voorspeld. Dit onderzoek is een voortzetting,van (3.) maar nu. in de lucht. Het concept is in bijlagen gegeven IV).

2.Een toetsings onderzoek in de natte decompressie tank in den Helder . Hierbij zal het effect van diepte op de binaire keuze taak worden voorspeld . Dit onderzoek is een voortzetting van de proefnemingen op geringe diepte (8). (III).

N.B.

Deze experimenten zijn gekozen gezien de directe aansluiting op belangrijke industrieële situaties en de verwachting dat uit de proeven gegevens zullen kunnen worden betrokken welke van direct belang voor de betreffende industrieën kunnen zijn.

Vanzelf sprekend kan (en moet) ook binnen het laboratorium nog veel validerend onderzoek gedaan worden. Hierbij zou voor de schrijver met name de vraag centraal staan welke strategiën de BKG hèt meest gevoelig maakt als maat voor mentale belasting . Bij dit onderzoek zouden o.a. wegings procedures ( fouten) en de voor en nadelen van vrij versus gedwongen tempo nader moeten worden bekeken (Bijlage V).
Op de legio mogelijkheden voor het doen van onderzoek binnen het laboratorium wordt in deze echter nog niet uitvoerig ingegaan.


3.2. Verwachte eindresultaten van het onderzoek (open eindproject).

1. Aantonen van de al of niet bruikbaarheid van het mentale constructum het verschaffen van een aantal observeerbare belasting variabelen welke dit constructum begrips-valide (D 8) representeren.


3 . 2 . 1 Nieuwe kennis, publikaties.

Er zal naar worden gestreefd de eigenlijke projecten uit te voeren in de vorm van toetsings onderzoek zodat de resultaten als nieuwe kennis afzonderlijk kunnen worden gepubliceerd. (zie vb. 9 ). Voor zover toetsings onderzoek niet kan worden genealiseerd, zullen de experimenten zodanig worden ingericht dat zij het karakter hebben van gericht exploratief onderzoek (D 4) dat kan dienen als model voor toetsingsonderzoek in de betreffende situatie. Ook deze experimenten zullen worden gepubliceerd met name indien geacht mag worden dat zij elementen bevatten welke de aandacht zouden kunnen vestigen op nieuwe toepassings mogelijkheden van in het laboratorium .ontwikkelde technieken. (zie vb. 10,11,11, Fig 3 t/m 6).


3 .2.2. Nieuwe apparatuur.

Hoewel de ontwikkeling van nieuwe apparatuur niet voorop staat kan het gebeuren dat uit bepaalde experimentele vereisten apparatuur wordt ontwikkeld welke het karakter heeft van nieuwe apparatuur. In dit verband kan wellicht de onderwater schakelaar van de BKG worden genoemd welke de "aktie radius" van dit instrument aanzienlijk uitbreidde.

Zo zijn een aantal situaties voor de psychometrie ontsloten welke zich voorheen niet leenden voor deze vorm van onderzoek (bv brandweerlieden boven op magyrus ladder, duikers tijdens noodontsnapping uit onderwaterhuis).
ZIE BLZ 30.

3.2.3. Mijlpalen.

In het algemeen kan een publicatie over afgesloten toetsings onderzoek binnen het kader van de ontwikkeling van het nomologisch net als een mijlpaal worden beschouwd.
Voorbeeld: Parachutisten onderzoek, waarin werd aangetoond dat sinusaritmie en hartfrekwentie anders reageren ) bij mentale belasting door emotie dan bij mentale belasting met Informatie werking (vliegers) (intern raport, publicatie in voorbereiding).
Wat de tijdplanning van op het programma staande projecten betreft wordt verwezen naar 6.1.


4. Motivering.

4.1. Wetenschappelijk belang.

Het ontwikkelen van meet methoden om constructa te beschrijven is een van de meest elementaire wetenschappelijke belangen.
Het valideren van de voorgestelde maten is hiervan een onmisbaar onderdeel (4,5).

4.2. Onderwijs belang.

Hoewel dit voor het betreffende project niet direct relevant is kan het voorkomen dat neven resultaten methoden opleveren welke voor bepaalde vormen van onderwijs betekenis kunnen hebben.
Voor een experiment op de Rijksluchtvaart school werden de proefpersonen vliegers bijvoorbeeld geïnstrueerd door middel van video.
Dit had het merkwaardige resultaat dat de leerlingen zonder verdere instructie procedures konden vliegen welke zij nog nooit eerder hadden beoefend (instrument landingen in een vlucht simulator).
Op grond van dit resultaat werd met dezelfde methodiek een instructie film gemaakt voor de doorstart procedure vanuit automatische landing met de DC8. Voor deze geheel nieuwe methode van vlieginstructie bestond bij de Rijksluchtvaart school veel belangstelling.

4.3. Maatschappelijk belang.

Voor zover niet vallend onder 4.1. kan met betrekking tot het maatschappelijk belang nog het volgende worden opgemerkt.
In eerste instantie zijn de experimenten weliswaar van belang voor het laboratorium.

Toch zijn de situaties waarin gemeten wordt in het algemeen zo gekozen dat het materiaal op zich zelf interresant is voor de betrokkenen.

Zo heeft de vereniging van Verkeersvliegers veel belangstelling voor de tijdens vlucht gemeten electrocardiogrammen.

Bij de brandweer bestaat veel belangstelling voor de cardiogrammen op de magyrus ladders.

Bij de marine is met name de belangstelling voor het gebruik van de BKG in de recompressie tank groot.
Vooral is hierbij van belang dat een techniek geboden wordt "on line" buiten de tank een indruk te krijgen van de vigilantie van duikers met beginnende stikstof narcose (onder water in de tank).
Met name de gegevens bij de vliegers en duikers zijn in dit verband mogelijk van internationale betekenis.

Het registreren van cardiogrammen van grote aantallen verkeersvliegers in kritike vlucht-phasen is nog niet eerder gedaan.

De ontwikkeling van meetinstrumenten welke on line inzicht kunnen geven over menselijk taakuitvoering onder hoge waterdrukken is van maatschappelijk belang,gezien de toenemende betekenis van de ontginning der zeebodem.

Uit het voorgaande moge blijken dat,de schrijver bij zijn onderzoek telkenmale poogt het maatschappelijk belang te dienen in overeenstemming met de TNO wet, nl. door onderzoek te doen in industrieële situaties, zonder het wetenschappelijk belang uit het oog te verliezen.
Dit laatste vereist evenwe dat het onderzoek vooralsnog een validerend karakter heeft.
Het is tenslotte van groot maatschappelijk belang dat maten welke eventueel gebruikt kunnen worden voor het nemen van beslissingen, inderdaad datgene menen wat zij pretenderen te meten (m.a.w. adequaat zijn gevalideerd).

Samenvatting betekenis validerend onderzoek: Het verschil tussen meten en voorspellen .

Voor een duidelijk inzicht in de betekenis van validerend onderzoek moet onderscheid gemaakt worden tussen meten en voorspellen van een constructum. In geval van metinig gaat het om de verhouding van de variabele tot het bijbehorend constructum. Er is dan geen andere variabele in het spel. Meting veronderstelt (begrips) validiteit (D8): wanneer een spanningsverschil wordt gemeten dan is de indicatie op de voltmeter of scope het spanningsverschil. De oorspronkelijk operationeel gedefinieerde variabele is het phenomeen zelf geworden. In feite kon dit slechts gebeuren daar het op deze wijze gekwantificeerde spanningsverschil hanteerbaar bleek binnen een systeem van wetten (c.q. voorspellingen): het paste in een sluitend nomologisch net. Met de voltmeter en scope kan nu worden gemeten en op grond van deze metingen als criterium kunnen beslissingen worden genomen.
Maar toen Cavendish het phenomeen spanningsverschil veronderstelde en met de hand verschillende niveau's trachtte aan te tonen kon hij alleen nog maar (proberen) te voorspellen. Hij kon proberen na te gaan of zijn verschillen in waarneming overeenkwamen met condities waarvan hij het verschil reeds kende. De condities waren zijn criterium. Bij voorspellen is altijd een andere variabele in het spel (het criterium). Met de observeerbare variabelen van het constructum mentale belasting kan in deze zin nog niet worden gemeten. Er moet eerst nog worden nagegaan of er mee kan worden voorspeld.
De konsekwentie hiervan is dat het LEP-onderzoek in praktijk situaties als laatste stap moet worden gezien voor het ontwikkelen van meet methoden in het belang van het laboratorium. Er kan dus niet worden gesteld dat dit praktijk onder-
zoek door de betreffende industrie moet worden gefinancierd. Het is al mooi als zij geen kosten in rekening brengen.


4.4. Aansluiting op vorig en lopend onderzoek:

De eigenlijke **prolocten welke in 6.2.i. worden beschreven vormen een logisch voortzetting van reeds verricht onderzoek waarover wetenschappelijk publikaties verschenen ( 3 , 8 )

4.5. Aanwezigheid van de voor het onderzoek benodigde kennis.
Naast een experimenteel psychologische opleiding met specialisatie op neuropsychologisch terrein (taakdeterioratie bij verminderde hersen functie), (12) is de projectleider op de meeste gebieden waarin tot nu toe werd geëperimenteerd deskundig.
Dit heeft het voordeel dat de proeven tevens als proefpersoon konden worden doorgenomen.
Hierdoor kan bij het ontwerp van de experimenten het principe der wetenschappelijke reductie (D9 optimaal worden gehanteerd: de praktijk situaties konden worden research klaar gemaakt met een minimum aan relevantie verlies.


4.5.1 APPARATUUR EN RUIMTE


4.5.1.1 EIGENLIJK PROJECT 1
Bij de samenwerking met de Koninkljke marine werd o.a.geëxperimenteerd in de naatte decompressie tank in den Helder.
Eigenlijke project 1 bestaat in feite replicie van de reeds gedane experimenten op zodanige wijze dat dit in de vorm van toetsings onderzoek kan geschieden.
Hiervoor kan de tank in den Helder met, volledige bemanning en medische begeleiding weer worden Gebruikt, zonder dat dit kosten voor het laboratorium met zich meebrengt. Voor een voortzetting van de experimenten op grotere schaal zal de uiteindelijke commandant zeemacht Nederland nog worden verkregen.
Het hoofd van het duikmedisch centrum luitenant kolonel arts G Brink zal echter na alle waarschijnlijkheid hierover een positief advies uitbrengen.


4. 5.1.2. EIGENLIJK PROJECT 2.
De vereniging van Nederlandse verkeersvliegers (met name de medisch commisie heeft zijn medewerking aan dit project toegezegd

Uiteindelijke onderhandelingen over de afwikkeling. van het project zullen nog moeten worden gevoerd. De directeur van het L.E.P. zal zich op de afwikkeling beraden.

5. PROJECT LEIDER;

Drs Haylitt Retief (psycholoog).

6. LOOPTIJD EN MATERIEELE CONSEKWENTIES.

6.1. EIGENLIJK PROJECT 1.

10 weken vanaf de aanvang van het project.
Gedurende deze periode zal evenwel ook nog tijd beschikbaar zijn voor andere werkzaamheden (uitwerken van publicaties)
Eind datum : 1 juni 1974.
Materiële consekwenties heeft het project voor het labo ratorium niet.
De benodigde apparatuur is reeds aanwezig.

6.2. EIGENLIJKE PROJECT 2.
Eind datum : december 1974
De looptijd met uitwerking van de resultaten wordt geschat op 2 maanden
De eind datum is mede afhankelijk van de datum waarop kan worden begonnen.

6.3. KOSTEN;

In principe kan het project worden uitgevoerd met de in het laboratorium aanwezige apparatuur (2 cardlomods + PDP8 voor
uitwerking.
Ter verhoging van professionele niveau zou de aanschaf van 2 avionic recorders aan te bevelen zijn.

KOSTEN VAN HET PROJECT.
Het lijkt in dit stadium niet zinvol hier een raming voor te geven daar nog niet voldoende duidelijk is welke uitloop mogelijkheden in dit verband reeël zijn.


7. Personele inzet.

7.1. Eigen activiteit.

Eigenlijke project 1: 80 eenheden.
Eigenlijke project 2: 80 eenheden.

Overige activiteit: afwikkelen van publicaties van reeds verricht onderzoek 100 eenheden.
Het betreft hier de volgende publicaties:

l.(Aero space medicin.)

Different reactivity patterns of physiological variabies for stressors of a different nature: heart rate and heart rate irregularity before parachute jumping and during flight simulator practice.
Haylitt Retief and C,.H.J.M. Opmeer.

2.(Aero space medicin.)

Towards an objective assessment of cockpit workload:
11 The objective scoring of flightperformance, combined with the introduction of a distraction task during the approach. Haylitt Retief and C.H.J.M. Opmeer.

3. (Aerospace medicin.)

Objective scoring of mental load during free escape from an under water habitat.
Haylitt Retief

Congres bezoek etc: 30 eenheden.
Voor zover de beschikbare tijd in 1974 niet door het bovenstaande in beslag wordt genomen kan worden gewerkt aan validerings onderzoek binnen het laboratorium (zie het gestelde onder N.B. op blz.8)


7.2. Hulpkrachten.

7.2.1. Hulpkrachten in dienst van het laboratorium.
Eigenlijke project 1.
40 eenheden voor personeel belast met typewerk, het maken van grafieken en eenvoudig rekenwerk. Indien computer verwerking van BKG response interval tijden wordt gewenst 20 eenheden van een programmeur.

Eigenlijke project 2.
40 eenheden voor personeel belast met typewerk, het het maken van grafieken en eenvoudig rekenwerk. Voor computer verwerking van het ECG 20 eenheden van een programmeur (analoog-digitaal omzetting vereist).

7.2.2. Studenten.

Voor eigenlijke project 1 en 2 kan niet van de hulp van studenten gebruik gemaakt worden.
Met betrekking tot overige op te zetten eigenlijke projecten (zie met name het gestelde onder N.B. blz.8 zal indien mogelijk gestreefd moeten worden naar het inzetten van doctoraal studenten psychologie met experimenteel psychologische achtergronden.


7.2.3. Aan te trekken nieuwe hulpkrachten.

Met betrekking tot het open eind project kan in dit verband het volgende worden opgemerkt.
De output zal voornamelijk worden bepaald door de beschikbaarheid van hulppersoneel.
Met name geld dit voor het doen van toetsings onderzoek waarbij immers veel routinematig moet worden geëxperimenteerd en berekend.
Indien gespecialiceerde krachten zich hier ook intensief mee bezig moeten houden gaat dit ten koste van hypothese vorming en op zetten van nieuw onderzoek. Gebrek aan huippersoneel is er mogelijk de oorzaak van dat er in het laboratorium thans geen toetsings onderzoek wordt gedaan.
Zo vormt het hulppersoneel de bottle neck voor de output bij het wetenschapprlijk onderzoek.
Een verhouding van twee academici voor één hulpkracht lijkt in dit verband niet inzichtelijk.


8 Samenwerking

8.1. Koninklijke marine.

Zowel met de duikschool als met het duikmedisch centrum van de Koninklijke marine werd tot nu toe prettig samen gewerkt.
De Koninklijke marine stelde in dit samenwerking verband tot nu toe kosteloos schepen, officieren, manschappen ter beschikking voor het doen van proeven op zee en in de natte recompressie tank in den Helder.
De indruk bestaat dat de Koninklijke marine opdezelfde voet deze samenwerking zou willen continueren.(Eigenlijk project l).

8.2 KLM, Rijksluchtvaart school

Met de KLM en de Rijksluchtvaart school werd samengewerkt voor (3,3a)
Deze instellingen stelden vluchtsimulatoren en vliegersproefpersonen ter beschikking.
Indien Eigenlijke project 2 doorgang vindt zou de verdere samenwerking bestaan uit het geven van research faciliteiten aan boor van vliegtuigen (zie 4.5.1.2. en bijlage IV)

9 Andere.financierings bronnen.

Evenals voor het andere onderzoek in net laboratorium zijn tot nu toe geen andere financierings bronnen genoemd..
De bijlage van de onder 8.l. en 8.2. genoemde instellingen bestond uit kosteloos beschikbaar stellen van de genoemde faciliteiten.

10 Uitvoering

Met betrekking tot de uitvoering voor de enkelvoudige projecten 1 en 2 alsmede uit te voeren onderzoek binnen het laboratorium wordt verwezen naar gedetaileerde onderzoeks concepten.
 

B I J L A G E

Open eind project.

Een open eind project onderscheidt zich van het eigenlijk project doordat de doelstelling nog niet in een konkreet bereikbare vorm kan worden uitgedrukt, en de einddatm daarom nog niet kan worden aangegeven.
Een open eind project hoeft voor de schrijver de betekenis van de
vorming van het nomologisch netwerk van een theorie (D7).


2. Eigenlijk project.

Een eigenlijk project is een bundeling van onderzoeksaktiviteiten met een nauw omschreven doel met een duidelijk begin en eindpunt en van de benodigde middelen.
Een eigenlijk project heeft voor de schrijver ofwel de betekenis van een zodanig opgezet onderzoek dat het aan de eisen voor toetsings onderzoek voldoet, ofwel aan de eisen voor een exploratief onderzoek dat uitdrukkelijk als voorbereiding van toetsings onderzoek kan worden beschouwd.

3. Toetsings onderzoek. ( 5 )

Onderzoek volgens een ontwerp dat bevat:
1. Korte expositie van de betreffende theorie; 2. Formulering van de te toetsen hypothesen; 3. Precieze weergave van de deducties die tot de te verifiëren voorspellingen leiden; 4. Beschrijving van de te gebruiken instrumenten compeet met instructie voor hun hantering tot en met de bepaling ( In een vast gestelde schaal) van de te gebruiken variabelen; 5. Een duidelijke bepaling van de universa waarop de hypothese en de verifiëren voorspelling betrekking heeft; 6. Een precieze beschrijving van de/waarop de steekproef tot stand komt. 7. Een vaslegging van de confirmatie criteria, inclusief formulering van eventueel gebruikte nulhypothosen, keuze van statistische toets, significante niveau en resulterende confirmatie inter-vallen.

4. Exploratief onderzoek. ( 5 )

Systematisch experimenteel onderzoek in het algemeen tot voorbereiding van toetsings onderzoek.
Kenmerkend verschil met toetsings onderzoek:
Eventuele hypothesen worden niet van te voren uitdrukkelijk geformuleerd en getoets.

N.B. Wetenschappelijk kennis kan slechts worden verworven door het verrichten van toetsings onderzoek, tenzij causale verbanden zekerheid kunnen worden aangetoond (crucial experiments).

5. Constructum. ( 4 )

Een abstracte variabele.
"...Something that the scientist puts together from his own imagination, something that does not exist as an isolated observable dimension of behavior".
Vergelijkbaar met wat de Groot noemt een hypothetisch begrip: "Begrippen die het bestaan van iets veronderstellen, dat zelf niet waarneembaar is, nog op doorzichtige wijze uit waarnemings feiten kan worden afgeleid en/of er toe kan worden herleid in het algemeen woorden (begrippen) waarvan het bestaan oorspronkelijk slechts op de algemene spreektaal is gebaseerd.

Een belangrijk probleem van de psychologie is dat deze (niet wetenschappolijk) spreektaal moet worden omgezet in meetbare grootheden die het "begrip zoals bedoelt" valide representeren. (toevoeging van de schrijver).


6. Observeerbare variabelen (4, 5).

(vgl. de Groot: emperische variabelen operationele definitie blz. 88)
De binding vav een begrip aan een "wijze van onderscheiden" op grond van een objectieve instructie met betrekking tot "de werkwijze" in emperische gegvens gevallen.
Voor begrip X wordt met "wijze van onderscheiden" bedoeld : onderscheid maken tussen X of niet X, of tussen schaalwaarden.
Met "de werkwijze" wordt in dat verband bedoeld: alle stappen welke moeten worden doorlopen om in een concreet geval de waarde van de variabele te bepalen. (Hierbij wordt dus stappen voor het verkrijgen van fondsen of hulpkrachten).

7. Nomologisch net ( 5 ).

Een theorie met alle explicitering ervan, voor zover deze in een bepaald stadium van het onderzoek zijn uitgewerkt en getoets.
N.B. in plaats van de theorie als geheel kan men ook een deel ervan beschouwen, bv. een hypothese met bijbehorende verbindingen. Wij spreken dan van het nomologisch netwerk van een hyphotese. Ook is het mogelijk te spreken van het nomologisch netwerk van een theoretisch begrip.
Uitgaande van de tweedeling in constructie en obseeveerbare variabelen kan men stellen dat de uitspraken in een nomologisch net van 3 typen moeten zijn: beweringen die relaties uitdrukken tussen:
1. constructa onderling.
2. observeerbare variabelen onderling.
3. constructa en. observeerbare variabelen.
(Zie in dit verband tekst bij blz. 5).

8. Begrips validiteit (contruct validity)

De mate waarin een (observeerbare) variabele een "constructum zoals bedoeld" dekt.
Deze vraag moet worden gesteld wanneer een variabele voor meting van een contructum dient.
In geval van meting van iets gaat het om de verhouding van de variabele tot de bijbehorende attribuut of eigenschaps begrip.
Er is dan geen andere variabele in het spel.
Het is in dit verband van belang het onderscheid tussen meten en voorspellen benadrukken. Bij voorspellen hebben we naast de variabele in kwestie (de voorspeller) nog tenminste een andere variabele nodig (het criterium).
(De Groot blz. 271)

9. Wetenschappelijke reductie.

Bewerking van een gebied, phenomeen of vraagstelling op zodanige wijze dat het voor toepassing van wetenschappelijke onderzoeksmethoden geschikt wordt.
In het algemeen komt dit neer op het omzetten van spreektaal in observeerba ' re variabelen (objectivering) welke vervolgens op hun onderlinge samenhang worden onderzocht.
Probleem hierbij is het vinden van een acceptabel evenwicht tussen objectiviteit (0) en relevantie (R).
Met relevantie wordt bedoelct dat het probleem c.q. begrip zoals bedoeld (5 ) nog door het onderzoek wordt gedekt.
Veelal gaat winst aan objectiviteit gepaard met relevantie verlies.
Naarmate men naast beheersing van de wetenschappelijke methodiek een grotere mate van des kun di g hei d h ee f t op het ( p ra ktijk) gebied dat gereduceerd moet worden is de kans op het vinden van een optimale 0/R verhouding mogelijk groter.

10. Deductief specificerende uitwerking.

Bewerkingen welke optreden bij de afleiding van concrete,verifieerbare voorspellingen uit hypothesen.
Tevens het empirisch hanteerbaar maken van begrippen, toetsbaar maken van algemene uitspraken door experimentele verbijzondering. Bij wetenschappelijke reductie wordt deductief specificerend gewerkt.

B I J L A G E II .

Voorbeelden van validerings experimenten in industriële situaties (BKG).


THE EFFECT OF VARIOUS TYPES OF MENTAL LOAD ON (SPARE) INFORMATION HANDLING CAPACITY.

ONDERZ2.JPG (58291 bytes)

In these experiments (spare) information handling capacity is validated as a measure for mental load in various industrial situations.

Legend.

Fig. 1 . ( 7)

Radar controller operating BCG while instructing an experimental aircraft at Schiphol airport at night. R= Rest phase (aircraft on the ground ) ; LF= Aircraft in level flight; TO= Aircraft take off.- AP= Aircraft in ground controlled approach.

Fig.2. ( unpublished results from 3a)

Pilots in DC7 flight simulator flying the Rotterdam terminal pattern (overshoot procedure) and operating BCG at the same time. SR= Rest phase; LF= Level flight towards the beacon; HO= In the holding; TO= Take off; AP= approach (ILS).

Fig 3. (11)

Fireman operating BCG on Magyrus ladder suspended "in the open".
NA= Afterwards; VOOR= Before commencing climb; 15m= Half way on the ladder (15 meter); 30m= On top of ladder.

Fig. 4. (8)

Naval frogman on North sea bed.
Om= At ships deck before diving; Om.z.I.= Same as Om but breath holding; 20m= Relaxed at North sea bed (20 meter); 20m. z l.= Same as 20m but with mouthpiece (air supply) removed.

Fig. 6.

Effect of depth in wet recompression tank.
See 37 a for individual performance traces. Pages 35,36 and 37 include description of experiment.

B I J L A G E II A
Voorbeelden van validerings experimenten in praktijk situaties (fysiologische maten).

Figuur 1 : Parachutisten

Figuur 2: Vliegers in vluchtsimulatoren
( Zie "Legend Fig. 2" op vorige bladzijde)

Doel van deze experimenten was om na te gaan of de sinus aritmie en de hartfrekwentie zich gedroegen zoals voorspeld bijverschillende niveau's van mentale belasting in de cockpit. (zie blz 5 en 6)

ONDERZ3.JPG (39544 bytes)
Fig. 1 : De gemiddelde waarden van HF (slagen per minuut) en SA (S/n score) van 12 ppn in verschillende situaties van het parachutespringen.

------ HF (session 1)
------ HF (session 2)
------ SA (session 1)
------ SA (session 2)
Doel van dit experiment was om te onderzoeken of de hartfrekwentie een gevoeliger maat was voor mentale belasting door "Angst" dan de sinusaritmie .
Deze voorspelling werd positief geverifieerd (9)..
(zie het gestelde op blz 5 en.6 )

ONDERZ4.JPG (85830 bytes)


B I J L A G E I I I
Uitvoering eigenlijk project 1.

Research Proposition the study of the effect of reduced information handling capacity on binary choice performance Drs Haylitt Retief.

l. When speaking about workload in general it is sensible to distinguish between purely physical load, requiring bodily effort, end workload in which this requirement is minimal.
For this type of workload the term "mental load" is used in the laboratory for Ergonomic Psychology.
Mental load Is expected to be present when a situation requires information. handling or entails phenomena such as social pressure, conflict and danger. Frequently these phenomena occur together and, in dynamic interaction, result in the total of mental load for a particular situation. The construct of mental load must hence be regarded as extremely complex and the domain of related observables is correspondingly large.
Thus, include physiological variables serving predominantly homoeostatic demands.
Other related observables require organized behavior. Task performance on a binary choice generator is one example (7). lt may be regarded as an operation defining operation handling capacity.
1.2. Information handling capacity as an indicator of mental load.
1.2.1. lt has been stated that information handling is regarded as a form of mental load.
lt has been suggested that the capacity to handle information is a variable
This variable is related to individual limitations and other phenomena that are a cause of mental load as earlier defined. Thus, in their dynamic interaction, conflict. social pressure and danger may reduced information handling capacity. lt follows that information handling capacity, measured with a binary choice generator,' becomes an observable related to the mental load construct.
1.3. Aspects of Binary Choice task performance.
Self-paced BCG task performance is characterized by at least three distinguishable variables, viz. number of correct and incorrect responses per unit in time (e.g. 1 minute) and responses interval time variance. 1-'3.1. Response interval time variance.
In a normally motivated subject a significant interruption of task performance is an abnormal phenomena

Generally it would point to a sudden reduction of vigilance.

Evidence exists that these reductions may be an early symptom of cerebral dysfunction (IL).
1.4. Purpose of the experiment to be described.
In the experiment to be described, the independent variable has-three levels. The assumption is the at information handling capacity will be progressively reduced.

The purpose of the experiment is to investigate how a reduced information handling capacity affects binary choice performance.

2. PROBLEM

How does reduced in format ton handling capacity effect binary choice performance?

3. MATERIAL AND METHODS

3..l. To reduce information handling capacity subjects wilt be placed in a wet decompression tank and subjected to pressures up to 100 meters of water. lt is assumed that under these conditions information handling capacity wilt deteriorate because of increased mental load. lt is recognized that below 50 meters the toxic effect of nitrogen will also affect cerebral function which wilt be reflected in information handling capacity. However, since the main purpose of the experiment is to establish how a reduced information handling capacity affects binary choice performance, this factor may be disregarded.
3.2.Apparatus. A wet decompression tank, suitable for working conditions down to 100 meters depth. Two binary choice generators with submersible stimulus response units (8 ). Two depex cardiomods for electronic storage of subjects' responses. Two Moseley strip chart recorders for online evaluation of task performance.
3.3. Subjects. Subjects wilt be 20 navy frogmen, matched for non experimental variables.
3.4 Procedure. Experimental conditions, in order of supposedly increasing effect on information handling capacity wilt be: 1) Reference level: one minute self paced binary choice task at bottom of tanks 2) Same, with 70 meters of water pressure; 3) Same, with 100 meters of water pressure. Ten ex-1,er7.Mental sessions wilt be held, with two divers in each session. One session per day to allow for decompression schedules.
3.5. Hypotheses. lt is hypotheses that with decreasing information handling capacity : 1) number of correct responses will decrease; 2) number of errors will increase; 3) response interval time variance will increase.
3.6. Results. Results wilt be analyzed with separate analyses of variance for each variable (one factor, three levels). internal consistency wilt be assessed with intercorrelations. Alternative scoring methods ( e.g. with regard to response interval times) may be constructed afterwards and incorporated in the analyses.


4. DISCUSSION.

4.1. It may be argued that the proposed experiment is a rather elaborate procedure to investigate an apparent1y simple problem. One could ask if not a simpler method could be used to reduce information handling capacity. Regardless the question if this would be possible at all, the significance of the experiment must be judged in a broader context.
4.2. The search tor adequate performance measures which can be used in simulated deep dives. Presently the record depth to which man can descend without protection against external pressure is 2000 feet (13). The limiting factor in deep diving at this stage is the effect of certain gasses (e.g. Nitrogen, Helium) of which breathing mixtures are com po sed . At high pressures these gasses have a toxic effect on cerebral function (13). lt is necessary to breath high pressure air to neutralize increasing water pressure with dept. Thus the central problem in contemporary research on deep sea diving has become to develop air mixtures that can be breathed at high pressure without intoxicating effects. For the early detection of toxic effects on cerebral dysfunction, performance measures are indispensable (12).The significance of the BCG in this context is that it gives an immediate indication of cerebral functioning of a man inside a hostile environment (i.c. submersed in high pressure water) to an outside observer. Thus, the experiment as proposed may resolve questions relevant to the laboratory and at the same time 1 ink the BCG an important research field.

On the next page performance of 3 subjects in a preliminary experiment is presented. The feasibility of using the BCG under the prevailing conditions is thus shown.
Difference between reference level and 90 meters depth is clear when looking at average values (see page 28,fig.6). However, it is felt that these differences can be made more pronounced under standardized conditions. One way would be to increase the learning period until a faultless reference level is obtained. The development of optimal strategies f or this would be one aim of the experiment as proposed. (in the example given, conditions for subjects 1, 2 and 3 are not identical within treatments).

BIJLAGE IV
Uitvoering eigenlijk project 2.

SEARCH PROPOSITION FOR THE EVALUATION OF COCKPIT WORKLOAD CRITERIA.

DRS HAYLITT RETIEF LABORATORY FOR ERGONOMIC PSYCHOLOGY OF THE ORGANIZATION FOR HEALTH RESEARCH TNO.

1. INTRODUCTION.
1.1. PRESENTLY NO MEASURES EXIST THAT HAVE A HIGH DEGREE OF CRITERION VALIDITY FOR PHENOMENA LIKE COCKPIT WORKLOAD. YET IT IS RECOGNIZED THAT SUCH MEASURES ARE ESSENTIAL, E.G. WHEN CRITERIA ARE REQUIRED TO DIFFERENTIATE BETWEEN WORKING CONDITIONS TO SELECT THE OPTIMAL. ONE CATEGORY WHICH COULD PRODUCE VALID CRITERIA ARE THE PHYSIOLOGICAL MEASURES. OF THESE" HEART RATE IRREGULARITY (SINUS ARRHYTHMIA) IS PERHAPS PROMISING. 1.2. SINUS ARRHYTHMIA. RESEARCH HAS PRODUCED INDICATIONS THAT FOR THE TYPE OF WORKLOAD FOUND IN AIRCRAFT COCKPITS (MAINLY MENTAL LOAD) SINUS ARRHYTHMIA IS A SENSITIVE MEASURE (KASBEEK/ETTEMA:MENTAL LOAD). HOWEVER, IT WOULD BE PREMATURE TO SUGGEST THAT THIS MEASURE HAS REACHED THE STATUS OF A VALID CRITERION. IT WOULD BE NECESSARY TO INVESTIGATE VARIABILITY OF SINUS ARRHYTHMIA WITH VARIOUS LEVELS OF COCKPIT WORKLOAD OF WHICH IT WOULD BE BEYOND DOUBT THAT THEY ARE FACTUALLY DIFFERENT. SUCH CONDITIONS ARE FOUND IN ACTUAL FLIGHT. IT WOULD BE NECESSARY TO SELECT A NUMBER OF CLEARLY DEFINABLE FLIGHT PHASES AND THEN ESTABLISH IF SINUS ARRHYTHMIA ASSUMED STATISTICALLY SIGNIFICANT DIFFERENT VALUES IN A PREDICTED DIRECTION FOR EACH PHASE. 1.3. HEART RATE. WHEN PHYSIOLOGICAL MEASURES ARE USED AS WORKLOAD CRITERIA, HEART RATE IS FREQUENTLY ONE OF THEM. SPEAKING IN GENERAL TERMS IT MAY BE SAID THAT THESE MEASURES REACT SIMILARLY TO STRESSORS THAT MAY BE OF A DIFFERENT QUALITY ( E.G. WHEN COMPARING ENERGETIC, "EMOTIONAL" OR INTELLECTUAL STRESS). IT WOULD BE A GREAT ADVANTAGE IF MEASURES COULD BE DEVELOPED WITH A SPECIFIC SENSITIVITY FOR SPECIAL KINDS OF STRESS ( E.G. SUCH AS COCKPIT WORKLOAD). 1.4. SPECIFIC PHYSIOLOGICAL SENSITIVITY. KROL AND OPMEER COMPARED HEART RATE AND VARIABILITY OF PARACHUTE JUMPERS (EMOTIONAL STRESS) AND PILOTS (INTELLECTUAL STRESS). IN VARIOUS CONDITIONS. THE PREDICTION THAT SINUS ARRHYTHMIA WOULD BE MORE SENSITIVE TO INTELLECTUAL STRESS WAS POSITIVELY VERIFIED IN THESE EXPERIMENTS. ONE OBJECT OF THE RESEARCH SUGGESTED WOULD BE TO ESTABLISH IF SINUS ARRHYTHMIA WOULD BE A BETTER MEASURE FOR COCKPIT WORKLOAD THAN HEART RATE.

2. PROBLEM.
2.1. DOES SINUS ARRYTHMIA VARY SIGNIFICANTLY IN SAMPLE FLIGHT PHASES OF WHICH IT IS BEYOND DOUBT THAT THEY DIFFER IN COCKPIT WORKLOAD?
2.2. DOES IT HAVE A GREATER DIFFERENTIATING POWER THAN HEART RATE?

3. METHOD.
3.1. DATA COLLECTION. THE ELECTROCARDIOGRAM OF THE PILOT IN COMMAND WOULD BE REGISTERED ON A PORTABLE DEVICE ( ELECTROMAGNETIC TAPE) THE SIZE OF A PHILIPS 11 CASSETTE RECORDER". OPERATING INDEPENDENT OF THE AIRCRAFTS POWER SUPPLY. THREE CHEST ELECTRODES WOULD HAVE TO BE GLUED ON, SOME CONVENIENT TIME BEFORE THE FLIGHT. THEY WOULD REMAIN ATTACHED TO THE SUBJECT FOP THE DURATION OF THE FLIGHT AND THERE AFTER UNTIL SUCH A TIME THAT A REGISTRATION COULD BE MADE OF THE SUBJECT IN A COMPLETELY RELAXED CONDITION. A SHIELDED WIRE, INTERRUPTIBLE CLOSE TO THE SUBJECT, WOULD CONNECT THE SUBJECT TO THE RECORDER. THE RECORDER WOULD BE ATTACHED TO THE RESEARCHER ( A QUALIFIED PILOT) WHO WOULD PREFERABLY HAVE TO BE SITUATED IN A POSITION FROM WHICH THE SIGNIFICANT INSTRUMENTS COULD BE SE-7N. THIS WOULD BE TO ENABLE HIM TO START THE REGISTRATION AT THE CUE RELEVANT FOR THE SAMPLE PERIOD. 3.2. DATA PROCESSING. THE ELECTROMAGNETIC TAPES WILL BE FED INTO A PDP8 COMPUTER PROGRAMMED TO CALCULATE HEART FREQUENCY AND SINUS ARRHYTHMIA ACCORDING TO THE OPERATIONAL DEFINITIONS USED IN THIS LABORATORY.

4. PROCEDURE.
4.1. THE SUGGESTED SAMPLE PERIODS, IN ASSUMED ORDER OF INCREASING WORKLOAD WOULD BE: 1. A REST PHASE, IN THE HOTEL ROOM AFTER THE FLIGHT; 2. LEVEL FLIGHTS THE AVERAGE OF 5 3-MINUTE SAMPLES ON THE WESTBOUND ATLANTIC CROSSING UNDER STANDARD LEVEL FLIGHT CONDITIONS; 3. HOLDING$ A REGISTRATION DURING THE LAST HOLDING PATTERN BEFORE COMMENCING APPROACH; 4. TAKE OFF: 1 MINUTE REGISTRATION STARTING AT COMMENCEMENT OF ROLL; 5. APPROACH: REGISTRATION COMMENCING WHEN
LEAVING THE FACILITY ON FINAL APPROACH UNTIL FIRST RUNWAY CONTACT;


5. SUBJECTS.

5.1. FOR REASONS OF STANDARDIZATION THE PROJECT WOULD PREFERABLY HAVE TO BE RESTRICTED TO ONE TYPE OF AIRCRAFT. CLEARLY THE RESULTS WOULD BE OF THE GREATEST INTEREST IF THIS WOULD BE THE MOST MODERN AIRCRAFT IN OPERATION AT THE TIME. IT IS THEREFORE SUGGESTED THAT THE SUBJECTS BE B747 CAPTAINS. FOR STATISTICAL ANALYSES A MINIMUM OF 20 SUBJECTS WOULD BE REQUIRED. THE LARGER THE SAMPLE HOWEVER, THE GREATER WOULD BE THE RELIABILITY OF THE RESULTS. IT WOULD BE POSSIBLE TO OBTAIN A SIMULTANEOUS REGISTRATION OF THE FIRST OFFICER FOR WORKLOAD COMPARISON..

6. RESULTS.
6.1. STATISTICAL ANALYSES. AFTER COLLECTION OF ALL MATERIAL ANALYSES OF VARIANCE WILL BE DONE, TO ESTABLISH THE SENSITIVITY OF HEART RATE AND IRREGULARITY FOR THE WORKLOAD LEVELS.
6.2. THE ELECTROCARDIOGRAM. THOUGH THE LABORATORY IS MAINLY INTERESTED IN THE AVERAGE VALUES OF HEART RATE AND IRREGULARITY OVER ALL SUBJECTS. THE FULL ELECTROCARDIOGRAM IS REGISTERED (PRE-CORDIAL LEAD). THIS WOULD BE AVAILABLE TO THE SUBJECT, OTHER RESEARCH QUESTIONS THAT WOULD BE CONCERNED WITH IN FLIGHT ELECTROCARDIOGRAPHY COULD BE STUDIED WITH THIS SAME MATERIAL.
6.3. RESULTS WILL BE PRESENTED TO THE UNION FIRST. PUBLICATION WILL BE IN A MANNER ACCEPTABLE TO THE UNION. TIME PERMITTING, AND SUBJECT TO THE UNIONS APPROVAL, RESULTS COULD BE PRESENTED AT THE CONGRESS OF AVIATION AND AEROSPACE MEDICINE WHICH WILL BE HELD IN BEIRUT, OCTOBER, 1974.

7. DISCUSSION.
7.1. ANONYMITY. SINCE THE INTENTION OF THIS RESEARCH IS TO GENERALIZE TO COCKPIT WORKLOAD UNDER STANDARD OPERATING CONDITIONS AND NOT UNDER OPERATING CONDITIONS WITH THE ADDITIONAL STRESS OF HAVING ONE'S ELECTROCARDIOGRAM TAKEN IT WOULD BE A PRE-REQUISITE OF THE PROJECT THAT A FORMULA BE CONSTRUCTED WHICH WOULD FULLY ENSURE THE SUBJECT THAT HIS DATA BE ANONYMOUS. IT IS THE OPINION OF THIS AUTHOR THAT THIS IS A TECHNICAL DETAIL WHICH IS NOT BEYOND SOLUTION, BUT REQUIRES CAREFUL CONSIDERATION. ONE SUGGESTION WOULD BE TO HAND THE REGISTRATION (A SMALL TAPE) TO THE SUBJECT DIRECTLY AFTER THE LAST SAMPLE HAS BEEN TAKEN. WHEN ALL MATERIAL HAS BEEN COLLECTED THE TAPES, WITHOUT ANY KIND OF IDENTIFICATION MARK? COULD THEN BE DEPOSITED IN A SEALED BOX WHICH WOULD ONLY BE OPENED AFTER ALL TAPES HAD BEEN COLLECTED. 7.2. THE SELECTED FLIGHT. THE WESTBOUND ATLANTIC CROSSING IS SUGGESTED SINCE IN THE OPINION OF THE AUTHOR THE ATLANTIC LEG WILL PROVIDE ADEQUATE LEVEL FLIGHT SAMPLES AND APPROACHES AT KENNEDY WILL BE OF THE GREATER INTEREST FROM AN INTERNATIONAL POINT OF VIEW. 7.3. THE SAMPLE PERIODS. THE SAMPLE PERIODS AS SUGGESTED ALLOW COMPARISON WITH THE FLIGHT SIMULATOR RESEARCH DONE BY THIS LABORATORY AT KLM AND RLS (DE BOK. JANUARY 1972). IT IS RECOGNIZED HOWEVER THAT , UNDER ACTUAL CONDITIONS DIFFERENT SAMPLE PERIODS MAY BE OF INTEREST. CLEARLY THIS WOULD BE A POINT FOR DISCUSSION.


COPIE'S:
CAPT. J. BIEKART VOORZITTER VLIEGMEDISCHE COMMISSIE.
F/O Dr. W.R. FILET VLIEGMEDISCHE COMMISSIE.
CAPT. F.H. HAWKINS CHIEF OF COCKPIT DESIGN & DEVELOPMENT KLM.
Dr. T.W.H. KALSBEEK DIRECTOR L.E.P. - TNO.

 

B I J L A G E V
Suggesties voor laboratorium onderzoek
( eigenlijk project 3 ) .

ONDERZOEK BINNEN HET LABORATORIUM.

Eigenlijk project 3.

Met de BKG dient nog betrekkelijk veel onderzoek binnen het laboratorium te worden gedaan teneinde vragen van meer fundamentele aard te beantwoorden. Een aantal suggesties hievoor zouden binnen het kader van eigenlijk project 3 kunnen worden uitgevoerd. De gedachten gaan ult naar de volgende experimenten:

3.1. Bepaling van leercurve voor steekproeven van 1 minuut.

Het is bekend dat de binaire keuze taak ook na langdurig oefenen nog leergevoelig is. In veel praktijk situaties is het echter niet goed mogelijk proefpersonen lang te laten oefenen. Met name geldt dit voor experimenten welke de continuiteit van het bedrijf beinvioeden en daarom snel moeten worden afgewikkeld. Tevens geldt dit voor experimenten met proefpersonen of proefleiders wier tijd kostbaar is. Anderzijds is het juist bij experimenten in de praktijk vaak niet mogeiljk sequentie effecten te vermijden.
Het lijkt daarom van belang voor de BKG leercurves te bepalen zodat een strategie kan worden ontwikkeld om voor het leereffect bij steekproeven na een korte oefenperiode te kunnen compenseren.

3.2. Ontwikkelen van een wegingsprocedure voor de diverse BKG variabelen welke voorspellingen optimaliseert.

Wanneer men de BKG als maat voor mentale belasting wil gebruiken wordt meestal met "vrij tempo" gewerkt. Er zijn hierbij drie taak variabelen, namelijk goede en foute responses en de variantie van de respons interval tijden (eventueel "blocks").-De wegings procedure voor deze variabelen om tot een optimale predictie (en later dus meeting) te komen, moet nog worden onderzocht.


LITTERATUUR.


1. Werkplan L.E.P.-TNO. 1973/1974 (gegevens volgens werkplan 1971/1972).
2. Jaarverslag L.E.P.-TNO. (doelstelling).
3. C.H.J.M. Opmeer and Haylitt Retief: Towards an Objective Assessment of Cockpit Workload: II.. Physiological Variables During Different Flight Phases. In: Aerospace Medicine ' May 1973.
3.a. Retief, Haylitt, Opmeer, C.H.J.M. : Towards an Objective Assessment of Cockpit Workload: 11. The Objective Scoring of Flight Performance, combined with the lntroduction of a Distraction Task during the Approach. In: Aerospace Med. in press.
4. J.C. Nunnally : Psychometric theory. McGraw- Hi11 Book Company New York 1967.
5. A.D. de Groot: Methodologie. Mouton & Co. Den Haag 1961.
6. W.S. Torgerson: Theory and Methods of Scaling. John Wiley & sons, inc.. New York 1958.
7. Haylitt Retief. : Variations in ATC-Workload as a Function of Variations in Cockpit Workload. In: Ergonomics, 1971, vol.14,no.5,585 - 590 .
8. Haylitt Retief: An Electronic Measurement System for Mental Load in the Submarine Environment. In: Proceedings of the First Annual Scientific Meeting of the European Undersea Blomedical Society; Försvars-medicin, Stockholm.
9. Drs Haylitt Retief, Drs C.H.J.M. Opmeer. De fysiologische variabelen sinus-aritmie, hartfrequentie en ademfrequentie bij parachutisten voor en na de sprong. - intern rapport L.E.P. TNO
10. Haylitt Retief: Objective Assessment of Mental Load during Free Escape from a Diving Cabin. In: Proc. XXIst International Congress of Aviation and Space Medicine, MUnchen, 1973.
11. Haylitt Retief: Een voorstudie tot evaluatie van mogelijkheden tot kwantificeren van mentale en fysieke belasting in een aantal situaties welke raakpunten hebben met de brandbestrijding. - intern rapport L.E.P.-TNO
12. Haylitt Retief: Het Squeek Effect in het Electro Enceplialogram. Doctoraal werkstuk, afdeling Functieleer, Universiteit van Amsterdam. Supervisor: N.H. Frijda.
13. K.E. Schaefer: Present Status of Underwater Medicine. Review of some Challenging Problems. In: Proc. XXIst International Congress of Aviation and Space Medicine, München, 1973.

APPENDIX

ABSTRACT PAPER XXII INTERNATIONAL CONGRESS OF AVIATION AND SPACE MEDECIN, Beirut 1974.

Evaluation of the bio-feedback relaxation technique with parachute jumping as a stressor.

HAYLITT RETIEF, ARIE VROLIJK.
Laboratory for Ergonomic Psycholooy of the Ornanization for Health Research TNO Amsterdam, The Netherlands.

In recent years bio-feedback has been used as reenforcement for training in relaxation. Relaxation is known to correspond with a change in the physiological state of the organism. With bio-feedback the corresponding chance in bio-electrical activity, after electronic processing is used to Droduce the stimulus which reenforces relaxation. With this method, usina special techniques, subjects can be trained to relax in anxiety inducing situations.
In the paper to be presented the effectiveness of the method is put to the test with a strong stressor. The anxiety criterion will be heart rate.

MATERIAL AND METHODS.

15 novice military jumpers are trained to relax just before jumping. Heart rate is registered on two occasions before jumping. In the experimental group bio-feedback training is given after the first registration. Average group rate before the next jump is compared with 15 control subjects.


Het onderzoek waarop bovengemeld abstract betrekking heeft werd aangevangen in mei 1974. Het geschiedt in samenwerking met de afdeling conflictuologie van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Uitvoering vindt plaats bij het Corps Commando troepen te Rozendaal en de Koninklijke Militaire Academie te Breda:
De proefpersonen zijn militairen van het Corps Commando troepen, cadetten van de KMA en militairen van het Corps Mariniers.
De gemiddelde leeftijd is 21 jaar.
Er wordt gesprongen uit een Fokker Friendship van de Koninklijke Luchtmacht. De registratie "Voor de sprong" geschiedt in het vliegtuig, kort voor de sprong.

return to:  indexpage - return to:  Haylit and science indexpage