Depth Simulation | Diepte Simulatie

  ENGLISH

MENTALE BELASTING IN EXTREME OMSTANDIGHEDEN:
EEN VALIDERINGS ONDERZOEK BIJ DUIKERS OP 10 ATMOSFEER.

by drs Haylitt Retief

SAMENVATTING

Als onderdeel van een onderzoeksprogramma ter ontwikkeling van maten voor mentale belasting werd een experiment uitgevoerd waarbij het effect van een verminderde informatie verwerkings kapaciteit op de uitvoering van een binaire keuze taak werd onderzocht.
Teneinde de informatieverwerkingscapaciteit te verminderen werden proefpersonen in een diepte simulator op een diepte van 70 en vervolgens 90 meter gebracht. Aangetoond werd, dat als gevolg van de druk toename, de proefpersonen beduidend minder goede responsjes gaven, het aantal fouten enigszins toenam en het werk onregelmatiger werd. Op hoge druk traden langduriger werk interrupties 1 >5 sec.) op en een aantal proefpersonen vertoonden een taak gedrag waarbij foutievereacties automatisch werden gecontinueerd. Snelle reacties werden beduidend minder vaak waargenomen en het gemiddelde werk tempo werd wat langzamer hoewel dat laatste het minst op de voorgrond kwam. Er werd aangetoond dat met de kombinatie goed -1½x fout de deterioratie van de binaire keuze taak het best tussen de verschillende druk kondities differentiërde. Differentiatie op grond van respons interval tijden en daarvan afgeleide parameters, zoals de standaard deviatie, gaven geen betere differentiatie mogelijkheid dan de eenvoudig en onmiddelijk af te lezen goed/fout score wanneer deze op deze werd gekombineerd.

MENTALE BELASTING IN EXTREME OMSTANDIGHEDEN: EEN VALIDERINGS ONDERZOEK BIJ DUIKERS OP 10 ATMOSFEER.

Mentale belasting wordt in dit onderzoek opgevat als een konstruktum, welke term is afgeleid van de Engelse term "construct". Een konstruktum is een begrip dat het bestaan van iets veronderstelt, datzelf niet waarneembaar is, noch op doorzichtige wijze uit waarnemingsfeiten kan worden afgeleid en/of ertoe kan worden herleid. Voorbeelden zijn bijvoorbeeld intelligentie, angst,
dynamiek of karakter.
Teneinde greep op een konstructum te krijgen is het nodig hiervoor maten te ontwikkelen waarvan, na een periode van onderzoek, eventueel kan worden gezegd dat zij het konstruktum valide representeren. Men kan echter ook besluiten dat het konstruktum niet bestaat. Het "phlogiston" uit de chemie is hier een voorbeeld van.
Belangrijke stappen bij het ontwikkelen en valideren van maten voor een konstruktum betreffen de specificatie van het domein der observeerbare variabelen, de bepaling van hun samenhang onder vergelijkbare omstandigheden en hun variabiliteit bij verschillende nivols van het konstructum, ook in verschillende situaties.
Wij willen hier niet te diep ingaan op de omschrijving van het konstructum mentale belasting. Wezenlijk is, dat hierbij door ons gedacht wordt aan een (op een of andere wijze meetbare) belasting voor het organisme, waarbij het beroep op spierkracht minimaal is. Voorbeelden van wat wij onder mentale belasting zouden verstaan zijn bijvoorbeeld emotionele belasting (bijvoorbeeld angst, in de ruimste zin), informatieve belasting (bijvoorbeeld in situaties waar beslissingen moeten worden genomen op grond van waarneembare informatie).- maar ook toxische belasting welke de hersenfuntie beïnvloed willen wij hier als mentale belasting beschouwen.
Tot het domein der observeerbare variabelen van mentale belasting werden door een aantal onderzoekers specifieke fysiologische variabelen gerekend. Ook gedrags variabelen zijn genoemd. Een variabele welke in dit verband naar voren kwam is de informatie verwerkingscapaciteit. Met name zou de resterende informatie verwerkings capaciteit. welke bijvoorbeeld gemeten kan worden in een dubbeltaak situatie, een indicatie zijn van mentale belasting. Naarmate de mentale belasting groter is zou de resterend informatieverwerkingscapaciteit minder worden.
Informatie verwerkings capaciteit (eventueel ook als een konstructum te beschouwen) is wel operationeel gedefinieerd met een binaire keuze taak. Hierbij moet de proefpersoon bijvoorbeeld op grond van een lichtje dat fel of zwak kan branden een keuze maken tussen twee knoppen, waarvan hij er één moet indrukken, afhankelijk van of het lampje fel of zwak brand. De informatieverwerkingscapaciteit zou dan worden weergegeven door het getal datr;ontstaat wanneer het aantal goede en foute responsjes over een bepaalde tijd op één of andere manier wordt gekombineerd.

In het volgende onderzoek werd nagegaan op welke wijze de binaire keuze taak uitvoering verandert wanneer men de informatie verwerkings capaciteit van proefpersonen reduceert door hen aan bepaalde invloeden bloot te stellen welke de informatie verwerkings capaciteit, volgens de experimentele aanname, reduceert. Hierbij werd tevens, meer exploratief, gelet op kwalitatieve aspecten van de taakuitvoering, individuele aspecten en de mogelijkheid de BKG taak variabelen zodanig te kombineren dat de reductie van informatieverwerkingscapaciteit het best tot uiting komt. De invloeden waaraan de proefpersonen werden blootgesteld bevatten waarschijnlijk toxische elementen, welke cerebraal aangrijpen,en tevens emotioneel belastende factoren.
De hier geformuleerde probleemstelling is in de eerste plaats van belang voor de algemene theorievorming i.c. de instrument ontwikkeling op het gebied der mentale belasting.
Het onderzoek is echter zo ingericht dat tevens een nieuwe toepassings mogelijkheid van de BKG wordt gesuggereerd. De experimentele uitkomsten worden gegeneraliseerd naar de algemene theorie maar tevens naar bepaalde aspecten van taakuitvoering bij duikers onder hoge waterdruk.
Het experiment moet worden gezien als een onderdeel van een netwerk van vergelijkbare experimenten, waarbij de variabiliteit van een mogelijke maat voor mentale belasting wordt onderzocht bij bepaalde nivo's van een kriterium variabele.

PROBLEEMSTELLING.

Wat is het effect van een verminderde informatieverwerkingscapaciteit op de uitvoering van een binaire keuze taak?

MATERIAAL EN METHODEN

De onafhankelijke variabele (kriterium)
De variabele waarmee de informatieverwerkingscapaciteit wordt gereduceerd is waterdruk in een diepte simulator. Deze heeft drie niveau's, te weten: 1 meter, 70 meter en 90 meter. De waterdruk werd opgevoerd door de luchtdruk boven de zich onder water bevindende proefpersonen op te voeren van 1 tot 8, en vervolgens 10 atmosfeer. Voor de proefpersonen onder water heeft dat hetzelfde effekt als toename van de diepte. Als kontrole konditie werd een registratie aan het eind van het experiment verricht (waterdruk + 1 meter = diepte van diepte simulator). Volledigheidshalve werd ook een registratie op 1 meter, vlak voor de druktoename verricht. Deze wordt echter niet als referentie beschouwd, daar de proefpersonen op dat ogenblik vrij gespannen zijn.
De vóór registratie werd gekodeerd als 01, de na registratie als 02 en de registraties op druk als 70 m en 90 m.
Verondersteld moet worden, dat op 70 en 90 meter, naast een mogelijk emotionele belasting, de informatieverwerkingscapaciteit mede beïnvloed zal worden door een stikstof narcotisch effect. Dit is een algemeen bekend gegeven uit de duikfysiologie.

De afhankelijke variabele.
De taakuitvoering op de BKG. Deze wordt in principe bepaald door twee variabelen: 1. Het aantal goede responsjes; 2. Het aantal foute responsjes. Als derde variabele wordt hier de variabiliteit van de respons interval tijden beschouwd.
Met betrekking tot deze variabelen gelden de nul-hyqothesen ten opzichte van de experimentele kondities.

Toetsend.
De nul-hypothesen met betrekking tot deze drie variabelen.
Bij vermindering van de informatie verwerkings capaciteit zal:
H01: het aantal goede responsjes gelijk blijven; H02: Het aantal foute responsies gelijk blijven; H03: De variabiliteit van de respons interval tijden gelijk blijven.
Aanvaarding van H01 en/of H02 zal volgens deze onderzoeker niet ondersteunend zijn voor de algemene theorie met betrekking tot de BKG.

Exploratief.
Bij de materiaal analyse wordt verder gelet op meer kwalitatieve aspekten van de taakuitvoering zoals: voorkomen van min of meer langdurige werk interrupties, de wijze waarop fouten worden gemaakt (verdeeld of in serie), het prestatieverloop binnen de experimentele kodities (samenhang met toename narcose diepte), en de optimale procedure waarmee de BKG goed/fout scores kunnen worden gekombineerd om tot één, optimaal differentiërende kriterium variabele te komen.
Betreffende de individuele aspekten onder de verschillende experimentele kondities wordt gelet op het verband tussen prestatie tussen kondities en binnen kondities (begin en eind prestatie). Deze exploratie heeft betrekking op de vraag of de informatieverwerkingscapaciteit in niet belaste omstandigheden (0 kondities) voorspellend is voor de informatieverwerkingscapaciteit in belaste omstandigheden (70 en 90 m) en of er een individuele reaktie is op toename van de narcose diepte.
Met betrekking tot de respons interval tijden zal worden onderzocht hoe deze verdeeld zijn in de verschillende kondities en of afgeleiden van de respons interval tijden (e.g. standaard deviatie) beter tussen kondities differentiëren dan goed/fout scores.
De resultaten van de exploratie worden in eerste instantie gebruikt voor verbreding van het inzicht in specifieke aspekten van taakuitvoering van duikers onder hoge waterdruk met normaal ademgas mengsel. Zij zullen voor de onderzoeker slechts suggestieve betekenis hebben met betrekking tot de algemene theorie.

Registratie en apparatuur
De experimentele gegevens weden op magneetband vastgelegd (Analog-7). Tevens werd met behulp van twee Moseley stripchart recorders de representatie van de BKG taakuitvoering on-line gekontroleerd (zie fig. 2 met begeleidende tekst). Voor de binaire keuze taak werden twee BKG's gebruikt met een stimulus-respons eenheid op afstand (foto A). Deze apperatuur stond opgesteld in de kontrolekamer van de diepte simulator. De S-R eenheid bevond zich in de diepte simulator.


Op de middenlijn zijn 2 boven elkaar geplaatste lampjes zichtbaar, met daaronder een knop links en een knop rechts. De taak bestaat uit het indrukken van de linker knop als het bovenste lampje fel brandt en de rechter knop als het zwak brandt. Zodra een knop is ingedrukt gaat het bovenste lampje even uit en vervolgens weer aan, fel of zwak, volgens een a-selekt programma. Wanneer het onderste lampje gaat branden moeten de knoppen anders ingedrukt worden (linker knop als het bovenste lampje zwak brandt, fel rechts) Ook deze wisselopdracht (om de tien sekonden) wordt steeds geregistreerd (zie verklaring bij figuur 2).

Experimentele situatie
Fig.1 Diepte simulator Duikmedisch Centrum der Koninklijke Marine Den Helder.


1. Kontrole kamer met experimentator en proefopstelling ( foto 1 )
2. Bedieningspaneel hogedruktank met duikofficier ( foto 2 )
3. Arts, begeleider duiker 1, in droog compartiment ( fot 4 )
4. Ziekenverpleger, begeleider duiker 2
5. Sluis ( foto 3 )
6. Waterpijl ( zie ook foto 4 )
7. Proefpersoon duiker 1, met S-R unit in nat compartiment (foto 5 genomen tijdens conditie 90 meter )
8. Proefpersoon-duiker 2 idem
9. Begane grond

Foto 1								Foto 2
 
Foto 3					Foto 4				Foto 5
  

Experimentele procedure
Bij een vooronderzoek (vliegbasis Valkenburg) met + 25 proefpersonen is een gestandaardiseerde instruktie ontwikkeld waarbij de proefpersoon stapsgewijs de taak leert totdat het plateau van de leerkurve wordt benaderd. Deze (schriftelijke) instruktie werd vervolgens bij dit experiment gebruikt en neemt ongeveer 20 minuten in beslag.
Proefpersonen waren marine duikers, gemiddelde leeftijd 23 jaar. Zij hadden allen.een vergelijkbare ervaring maar hadden nooit dieper gedoken dan 60 meter. Aangenomen moet worden dat het vooruitzicht op een duik naar 90 meter, met de bijbehorende medische toelichting betreffende de te verwachten diepte roes, de instruktie over de gang van zaken in de diepte simulator en daarnaast de instruktie met de binaire keuze generator, dit alles in een tijdsbestek van een half uur per proefpersoon, op zichzelf enigszins belastend was. Aangenomen moet worden dat de proefpersonen tijdens 01 (vlak voordat de druk zou worden opgevoerd tot 10 atmosfeer) toch niet bepaald ontspannen waren. De experimentator had de procedure als proefpersoon duiker eerst zelf uitgeprobeerd.
De proeven begonnen om 8 uur 's ochtends, omstreeks 9 uur lagen de duikers in de experimentele positie (Fig. l). Vanaf dat ogenblik moest het experiment op druk (inklusief op druk brengen) in maximaal 12 minuten worden afgewerkt. Daarna volgde de dekompressie van + anderhalf uur waarbij de duikers in het droge kompartiment kwamen. Zij daalden weer af in het natte kompartiment kort voor het einde van de dekompressie, voor de registratie van 02. Vanzelfsprekend geschiedde de uitvoering van de proeven op druk onder een voor begeleider en experimentator vrij grote tijd stress. Indien de proef uit zou lopen boven de twaalf minutengrens moest aan de dekompressietijd reeds drie kwartier worden toegevoegd. Na 16 minuten vanaf het verlaten van 1 atmosfeer moest de opstijging in ieder geval worden ingezet.
Aanvankelijk was het experiment ontworpen volgens een schema van 1 minuut registratie per konditie. Na enkele zittingen ontstond de indruk dat juist tegen het eind van de 90 meter registratie ernstige storingen waarneembaar waren. Daar de experimentatoren in en buiten de tank inmiddels routinematig konden werken, werd besloten de experimentele kondities met 30 sekonden te verlengen. Er zijn dus een aantal proefpersonen welke 60 sekonden per konditie hebben gewerkt en een aantal welke 90 sekonden hebben gewerkt. Bij de materiaal analyse is getoetst of deze laatste 30 sekonden signifikant slechter werd gewerkt. Op grond van deze toetsing werd besloten de analyses toch te baseren op de eerste minuut.
Er namen 14 proefpersonen aan het experiment deel. Orie proefpersonen vielen uit tengevolge van doorslaggevende storende factoren (niet opgenomen in Fig. 2) en een proefpersoon werd op methodologische gronden niet bij de materiaal analyses betrokken. Bij 6 proefpersonen werden replicaties verricht.

Materiaal analyse nader geëxpliciteerd.
Hierbij werden enerzijds de BKG prestatie in termen van goede en foute responsies en anderzijds de respons intervaltijden onafhankelijk van de aard van de respons, afzonderlijk beschouwd.

BKG goed/fout responsies.
De elektronisch uitgeschreven trace's van de individuele BKG prestaties werden fotografisch verkleind en gekombineerd tot twee overzichtsfoto's van de resultaten van het gehele experiment (fig. 2 en 3). Op grond van deze foto's werden een aantal observaties gedaan (tabel l). Vervolgens werden de volgende bewerkingen uitgevoerd: 1. X2 analyse, ter toetsing van de verschillen in verhouding goed/fout tussen de experimentele kondities (tabel 2); 2. Student-t-toetsen voor alle experimentele kondities , paarsgewijs vergeleken (tabel 3); 3. Student-t toetsen waarin de prestatie onder druk per 30 sekonden werd vergeleken met de volgende 30 sekonden (prestatieverloop tabel 4); 4. Diskriminanten analyse terbepaling van de optimale diskriminerende kombinatie van goed/fout responsies. De vervolgens gekombineerde variabelen zijn gegeven in fig. 4; 5. Rangkorrelaties volgens Spearman waarbij voor de proefpersonen individueel werd nagegaan wat het verband was tussen hun prestaties in de verschillende experimentele kondities (tabel 5); 6. Rangkorrelatie volgens Spearman waarbij in de 90 meter konditie de individuele prestatie per 30 sekonden werd vergeleken met de volgende 30 sekonden (individueel prestatieverloop, tabel 6).

BKG-Respons interval tijden

Er werden interval histogrammen gemaakt van de respons intervaltijden van iedere proefpersoon per zitting en konditie afzonderlijk, van de groep als geheel per zitting en konditie en van beide zittingen tesamen per konditie. Alleen de interval histogrammen van beide zittingen tesamen zijn hier opgenomen (fig. 5). Van deze frekwentie verdelingen werden de gebruikelijke centrum en spreidingsmaten berekend (tabel 7). De verdeling werd tevens procentueel bekeken (tabel 8) en de procentuele veranderingen werden afzonderlijk gesignaleerd (tabel 9. figuur 6).
Er werd getoetst of deze maten beter tussen de experimentele kondities differentierden dan de goed/fout scores op de BKG,- (tabel 10 en 11 ).

Resultaten visuele inspektie overzichts foto

Visuele inspektie van fig. 2 en 3 maakt het mogelijk de taakuitvoering kontinue te volgen. Alleen met deze visuele inspektie kunnen b.v. "perseveratiefouten" worden gesignaleerd.
Deze treden op wanneer een proefpersoon na de wisselopdracht doorgaat met de oorspronkelijke opdracht en dan dus een hele serie fouten maakt. Perseveratie is een typisch cerebraal organisch symptoom. Wij zullen hierop nog nader terugkomen. Perseveratie fouten komen voor op de volgende plaatsen:

pp. 2-1,90; 4-1,90; 6-1,70; 8-1,90; 9-1,70+90; 10-1,90; 2-11,70; 3-11,90; 6-11,70;9-11,70+90. Fig. pp. 1-1,90; 2-1,90; 3-11.90.

Bij de analyse van de respons interval tijden zijn interval tijden >2600 m. sek. in één klasse samengevoegd. Deze grens is tot op zekere hoogte arbitrair. Wij menen dat bij langduriger onderbreking van de arbeid (i.c. >2600 m. sek.) sprake is van een bewustzijns daling, welke onderscheiden moet worden van een algemene vertraging van het tempo. Wij zullen dit blokkeringen noemen. Visuele inspektie van fig. 2 en 3 laat echter zien dat er nog een grote verscheidenheid is in tijdsintervallen langer dan 2600 m. sek.
Intervaltijden >5,4 sek hebben wij nog eens afzonderlijk in figuur 2 geïsoleerd en in tabel 1 gegeven. Wij zullen deze tijden "absences" noemen.

Het voorkomen van de hiergenoemde verschijnselen kan als volgt worden samengevat:



Tabel 1. Taakdeterioratie bij hoge druk

			02	70	90
			_________________
Perseveratie fouten	0	5	8

Blokkeringen		1	4	6

Absences		1	7	13
Wij zien dus bij drukverhoging een toename van perseveratiefouten, blokkeringen en absences, waarbij de toename van absences het meest opvalt.
Resultaat X2 analyse (Tabel 2)
	01	70	90	02

Goed	856	741	661	1004

Fout	101	167	165	77

p <0.01
Konklusie: Bij 70 en 90 meter worden relatief meer fouten gemaakt dan bij 01 en 02.

Resultaat t-toetsen

Tabel 3. p waarden student-t.					Tabel 4. Onderlinge verschillen
Onderlinge verschillen tussen					binnen kondities
kondities
	VOOR	70	90					301/30²		30²/30³

01 G		0.05	0.05				70	0.01		n.s.
   F	  	0.05	0.05				90	0.01		n.s.

90		0.05
		0.08

02	-	0.05	0.05
	0.08	0.05	0.05

Konklusie: Toetsing van de verschillen in goede responsies geeft, voor alle kondities met elkaar vergeleken, signifikante verschillen (p <0.05).
De foute responsies differentiëren eveneens tussen alle kondities, 70190 en 01/02 echter slechts met een p <0.08.
Het prestatieverloop binnen de experimentele kondities geeft een signifikante prestatie daling te zien, wanneer men de prestatie tussen 0 en 30 sekonden vergelijkt met die tussen 30 en 60 sekonden. Van 60 en 90 sekonden wordt de prestatie echter niet meer signifikant slechter. Dit geldt zowel voor de goede als foute responsies. (Om deze reden is bij de verdere verwerking slechts met de eerste 60 sekonden gewerkt).

Resultaten Diskriminant Analyse

Ter optimalisering van het verschil tussen de kondities 02-70-90 werden de goed/fout responsies gewogen en lineair gekombineerd met het IBM-SPSS programma.
Dit leverde twee diskriminanten funkties op, waarvan de relatieve waarde van de tweede zo klein was, dat deze verwaarloosd kon worden (wilks, lambda = 99, p=.54). De koëfficienten van de eerste waren -1,80+.050 (goed)-.074 (fout). Op grond hiervan lijkt de kombinatie goed minus 1,5 x fout het beste onderscheid tussen de drie kondities te geven.
De gekombineerde variabelen zijn uitgezet in fig-4.

BKG Prestatie in diepte simulator.
Gemiddelde waarden van 15 registraties van 1 minuut per konditie. Van het aantal goede responsies is het aantal fouten x l½ afgetrokken (deze kombinatie maximaliseert de verschillen tussen de kondities).

Uit fig.4 (en de vervolgens uitgevoerde toetsen) blijkt dat de gekombineerde variabelen signifikant tussen de experimentele kondities differentiëren, met uitzondering van de konditie 70m/90m. Dit verschil was wel signifikant wanneer men alleen de goed scores telde. Enkele proefpersonen maken in de 70 m konditie meer fouten dan in de 90 m konditie. In de optimaliserings formule worden fouten juist zwaar gewogen. Hoewel met de optimaliserings formule het absolute verschil tussen de 70 m en 90 m gemiddelden wél is toegenomen, is door bovenvermelde oorzaak ook de spreiding aanzienlijk groter geworden. Hierdoor is de gedeeltelijke overlapping van de 70 m en 90 m verdeling ontstaan. Wanneer men pp 6 uit de populatie verwijdert, is het verschil 70 m/ 90 m signifikant (p<0.08). PP 6 maakt zowel in de le zitting als in de 2e zitting een serie fouten achter elkaar (13 in I en 18 in II). Hierdoor komt zijn fouten verhouding 70 m/90 m op 15/3 resp. 23/4. Wij menen dat deze uitzonderlijke pp wel de kwetsbaarheid van de gebruikte methode illustreert, maar in feite als een uitbeiter moet worden beschouwd.
Tenslotte moet worden vermeld dat het kombineren van de goed en fout scores volgens ons onvermijdelijk is, wil men de BKG taak als kriterium hanteren

Resultaten rangkorrelatie berekening-(Spearman) betreffende het individuele prestatie verloop tussen kondities en binnen kondities

Tabel 5. Korrelaties tussen kondities	Tabel 6. Korrelaties binnen kondities 90
	  Goed	 Fout			    Goed  	Fout
	  R  Pp   R   Po			   R   Po    R   Po

01-70	.47 <.10 .40 <.10	301 - 30² .73 <.01  .05  -

01-90	.35 ns -.01 -		30² - 30³ .65 ~.05  .68 <.05

01-02	.14 ns .43 <.10		301 - 30³ .92 <.01 -.01  -

70-90	.57 <.05 -.19 -

70-02	.64 <.01 .03 -

90-02	.81 <.01 .16 -

Uit tabel 5 blijkt: Individueel gesproken is er weinig verband tussen het aantal fouten dat proefpersonen in verschillende kondities maken.
Er is wel een signifikant verband tussen het aantal goede responsies in de verschillende experimentele kondities, met uitzondering van de vóór konditie (01). Uit tabel 6 blijkt: Wat het aantal goede responsies betreft is de prestatie binnen de konditie vrij konstant.
Wat de fouten betreft geldt: De prestatie in het begin houdt geen verband met de prestatie op het eind.

Resultaten met betrekking tot de respons intervaltijden

Fig. 5. Histogrammen van de respons intervaltijden behorende bij fig. 2

Klasse 1: <800 m. sek.; klasse-interval: 300 m. sek.; klasse 8: >2600 m. sek.
Abscis: Aantal interval tijden per klasse

Tabel 7. Parameters van fig 5. 		Tabel 8. % Intervaltijden per konditie
	0	70	90	0			0	70	90	0
x	1097	1181	1267	1030	1.  <800	29	19	18	28
s.d.	740	7340	970	469	2.  800-1100	44	48	50	49
min	601	600	610	602	3.  1100-2600	22	29	26	22
max	9199    7849    9361    5235	4.  < 2600	 5	    4	    6	     1
Tabel 9. Verandering in % van interval tijden 		Fig. 6 toont de absolute verandering in % respons
per konditie, uitgedrukt als % van de waarde bij 02	interval tijden t.o.v. 02 uitgedrukt als % van 02

Uit tabel 7-9 en figuur 5 en 6 blijkt bij toename van de waterdruk:
1. De toename van het percentage respons intervaltijden langer dan 2,6 sekonden is het grootst (tabel B).
2. Het % van snelle tijden « 800 m.sek.) neemt duidelijk af van 02 naar 70 meter (32%), het neemt nog verder af op 90 meter (36% t.o.v. 02) --(tabel g).
3. Het % langzamer tijden (1100-2600 m.sek.) neemt toe van 0-70 meter (32%). Op 90 meter wordt dit percentage kleiner t.o.v. 70 meter. De toename t.o.v. 0 meter is dan nog 18% (tabel g).
4. + 50% van de respons interval tijden ligt tussen de 800 en 1100 m. sek. (modale klasse) Dit percentage blijft onveranderd bij de verschillende drukkondities Ctabel 8).
5. Oe gemiddelde interval tijd in het totale experiment is + 1150 m.sek. Deze varieert slechts in geringe mate (+ 120 m.sek. naar beide zijden) waarbij drukverhoging vertragend werkt (tabel 7).
6. Ten opzichte van 02 werken de proefpersonen onder druk aanzienlijk onregelmatiger. Dit komt tot uiting in de standaard deviatie (bij 90 tweemaal zo groot als bij 02).
Bij 01 wordt verhoudingsgewijs ook vrij onregelmatig gewerkt (tabel 7).

Resultaten toetsing differentiërend vermogen centrum en spreidingsmaten, vergeleken met differentiërend vermogen BKG goed/fout scores

Per proefpersoon zijn per konditie de gemiddelde respons intervaltijd en standaarddeviatie berekend.
Vervolgens zijn de verschillen tussen de kondities voor beide parameters getoetst. Hierbij is gebruik gemaakt van de toets van Friedman voor de over-all verschillen (P <0.05). Vervolgens zijn de kondities paarsgewijs vergeleken met de rang-teken toets. De uitkomsten zijn gegeven in tabel 10 en 11

Tabel 10. Verschil in standaarddeviatie 	Tabel 11. Verschil in gemiddelde respons
per konditie 					intervaltud per konditie
	01	70	90		01 	70		90

01		n.s.	<0.05		n.s.	<0.05

90		.10				<0.10

02	n.s.	<0.01	<0.01		n.s.	<0.01	<0.01

Konklusie: De standaarddeviaties en de gemiddelde respons interval tijden differentiëren niet beter tussen de kondities dan de gekombineerde BKG goed/ fout scores.

KONKLUSIES

Algemeen.
1. De nul-hypothesen met betrekking tot het aantal goede responsies en de variabiliteit van de respons interval tijden kunnen worden verworpen. De betreffende variabelen differentiëren significant tussen de experimentele kondities.
De nul-hypothese met betrekking tot de BKG-fout score kan niet worden verworpen. De resultaten wijzen echter wel duidelijk in de richting van de verwachtingen. De fout score wordt in hoge mate beïnvloed door de resultaten van één proefpersoon, welke als a-specifiek kan worden beschouwd. De theorie met betrekking tot de bruikbaarheid van de BKG als kriterium voor (resterende) informatie verwerkings capaciteit (c.q. mentale belasting) in complexe situaties wordt gedeeltelijk gesteund. De maat is echter in de huidige opzet kwetsbaar op grond van de fout score.

2. De optimale combinatie van de goed/fout score tot één variabele is het aantal goede responsies minus anderhalf maal het aantal fouten.

3. Van de respons interval tijd afgeleide variabelen zijn geen betere maat dan de gecombineerde goed/fout score. Dit heeft direkt praktische konsekwenties gezien de onmiddelijke presentatie van de BKG variabelen op de tellers van dit apparaat. Respons interval tijden en daarmee samenhangende bewerkingen zijn verhoudingsgewijs aanzienlijk complexere variabelen.

Specifiek.

4. De BKG met S-R eenheid op afstand biedt mogelijkheden voor het onmiddelijk evalueren van informatieverwerkingscapaciteit bij duikers onder water. Bij een waterdruk van 8 atmosfeer, toenemend tot 10 atmosfeer, wordt de taakuitvoering van duikers met normaal ademgas mengsel gekarakteriseerd door vasthouden aan routine handelingen welke mogelijk niet meer adequaat zijn, (perseveratie fouten). het verdwijnen van snelle reacties, het voorkomen van werk interrupties van langere duur (5-10 sekonden) en in mindere mate een algemene vertraging van het werktempo.
5. De individuele BKG prestatie onder onbelaste omstandigheden (02) korreleert met de prestatie onder druk, echter alleen wat de goede responsies betreft. De prestatie vóór (01) en de fouten score hangen per proefpersoon in de verschillende kondities niet samen.

Diskussie
De problematiek met betrekking tot de fout score benadrukt het belang van het geven van de adequate instruktie. Bij gebruik van de methode met de opdrachtwisseling kunnen proefpersonen makkelijk in de war raken, waardoor zij grote series fouten achter elkaar maken. Met name wanneer na de instruktie een periode van interfererende aktiviteit volgt voordat met de proef wordt begonnen. Uit dit onderzoek is gebleken dat men de bepaling van een referentie waarde onder optimale omstandigheden en na een voldoende leerfase dient te doen. Evenals bij fysiologische metingen lijkt het voor de hand te liggen de kontrole konditie (eind rust) na afloop te verrichten. Men moet dan echter wel de zekerheid hebben dat men op het plateau van de leerkurve zit.

Suggesties voor verder onderzoek
De goede differentiërende waarde van de goed/fout kombinatie, vergeleken bij de differentiatie met behulp van intervaltijden lijkt van belang voor die vormen van onderzoek waarbij aandachtsfluktuatie een rol spelen. In het algemeen is de bepaling van intervaltijden en daarmee samenhangende variabiliteit of tijdrovend (Bourdon) of kostbaar (wanneer men van elektronische verwerkingstechnieken gebruik maakt).
Indien men op grond van de BKG goed/fout kombinatie even goede voorspellingen kan doen is dit een belangrijk winstpunt voor deze vorm van onderzoek. Het zou wellicht van belang zijn de mogelijkheden op dit punt verder uit te diepen.

Uitgevoerd follow-up onderzoek
Aansluitend op het hier beschreven onderzoek is met de ontwikkelde techniek een exploraties onderzoek verricht in het onderzee laboratorium Helgoland. Hier was de vraagstelling of een effekt kon worden aangetoond van stikstof verzadiging bij vanuit het onderzee laboratorium op de zeebodem werkende aquanauten. De BKG prestatie werd nu als kriterium gehanteerd. Gezien het geringe aantal proefpersonen (3) is de generaliseerbaarheid van de resultaten hiervan beperkt. Opvallend was echter dat de nul waarden van de aquanauten onder optimale omstandigheden (hotelkamer) niet signifikant afweken van de 02 waarden van het hier beschreven onderzoek. Deze waarden weken eveneens niet signifikant af van de waarden op de zeebodem onder stikstofverzadiging. Dit onderzoek illustreert hoe een maat, welke eerst werd gevalideerd, vervolgens direkt in de praktijk onder enigszins vergelijkbare omstandigheden als kriterium kon worden toegepast.

more pictures

Back to top of this page

return to Start page - return to About Haylitt page

Parachute jumping publication (heart rate and heart rate irregularity)

Copyright Haylitt Retief  and contract partners ©